Een scherp oog voor bruisend straatleven

Ze heet Helen Levitt en ze fotografeerde New York als een oase. Althans het Harlem van New York, dat weinig met Manhattan te maken had. De brandtrappen, de boomloze straten, de eens maar daarna nooit meer gepleisterde muren een wijk waar je voor een dubbeltje geboren wordt en het zelden tot kwartje kan schoppen.

Maar om dat defaitisme was het Levitt niet te doen. Het etnisch veelkantige Harlem bruiste van vitaliteit. Het leven lag er op straat, want televisie was nog science fiction. Als de zon scheen zette de buren de keukenstoelen langs de goot. Aan de overkant kwamen de tuinslangen tevoorschijn, op de vensterbanken verschenen zitkussens voor eeltige ellebogen en wie jong was ging op z'n zondags en met swinging hips de bloemen buiten zetten. Daartussen dartelden de kinderen, nou ja, dartelen, ze joegen elkaar op, ze pestten elkaar, ze spookten van alles uit met straattroep, maar ze waanden zich ook wel eens op Broadway, en dansten dan naar beste kunnen iets exotisch.

Vooral die ene dansfoto is een juweel. Hij hangt nu tussen de vele tientallen opnamen van Helen Levitt (1913, Brooklyn) in het Centre national de la photographie in Parijs, waar de nadruk ligt op het werk uit de jaren dertig en veertig. Het lege asfalt met wat krijtstrepen voor de auto's die men niet kon betalen, was een ideale dansvloer. Twee kleuters geven een performance, en niemand keek, behalve Levitt. Het meisje doet iets flamenco-achtigs, en dat moet ze nauwkeurig hebben afgekeken. Het jongetje lijkt met een wijsvinger op zijn kruin, eerder het dansje van een speelgoedpop te imiteren – alsof hij wilde laten zien nog veel gekker te kunnen doen dan zijn vriendinnetje. Het is 1940, de Duitsers lokten ver weg een wereldoorlog uit. Maar `dit is nou geluk', moet Levitt gedacht hebben, en dat is het zestig jaar later nog steeds.

Helen Levitt wordt tot de `Street Photographers' gerekend, met illustere voorbeelden als Alfred Stieglitz, André Kertész en Berenice Abbott en met tijdgenoten als onder anderen Garry Winogrand, Weegee, Lisette Model en de onlangs breed in de Rotterdamse Kunsthal gepresenteerde Leon Levinstein. Was het menig ander collega te doen om `phantastic' New York, met passanten als pionnen op het schaakbord van de architectuur, Levitt hield consequent de medemens vanaf de stoeprand in de gaten, en – afgaande op de Parijse tentoonstelling – ging ze graag ongezien en intuïtief haar gang. Zelfs de kinderen – haar favoriete `modellen' – toch al snel geneigd om voor de camera te lachen – `ontzien' haar.

Hun afwezige blik, de zo nabije camera en Levitts ongekunsteldheid betrekken je bij hun spelletjes. Zelfs in die mate, dat je je bij een stoeipartij op een smalle, vijf meter hoge richel, bezorgd afvraagt hoe dat destijds met die jochies is afgelopen.

Levitt kreeg nauwelijks een opleiding, ze assisteerde enkele jaren `de maestro' Walker Evans en maakte deel uit van de `New York School', een verbond zonder verband van autonome fotografen. Het poëtisch realisme van Cartier Bresson maakte op haar de meeste indruk, meldt een kleine, verzorgd uitgegeven catalogus. Net als hij zou ze zich in haar werk consequent van politiek of maatschappelijk engagement onthouden. Armoede lijkt een bijzaak, het was haar te doen om de dagelijkse buurtcontacten, om de solidariteit en om de waardigheid van die `Harlemmers', die zich niet laten kisten, maar zich met humor – met het `post no bills' op de gevel krijten – staande houden. Die humanistische visie wint het – ook in de kleurenfoto's uit de jaren zeventig en tachtig – van de atmosferische esthetiek van licht en schaduw.

In tegenstelling tot Cartier Bresson reisde Levitt niet. Eén keer trok ze naar Mexico, in 1941, waar ze fotografisch eigenlijk precies hetzelfde distilleerde, en waar ze misschien wel tot de conclusie kwam dat ze voor die dagelijkse rimpelingen net zo goed thuis, om de hoek, kon blijven rondkijken. En dat is de kracht en de kern van haar werk: het empathisch vastleggen van dat basale `je maintiendrai'-gevoel om de misère – toen de armoede van Harlem – het hoofd te bieden. Het hebben van kinderen mag dan in zulke omstandigheden extra zorgelijk zijn, Levitt laat zien dat juist dat kroost – driftig en inventief in de weer met elkaar en met kattekwaad – de reële grote-mensenangst steeds weer even doet verschrompelen.

Tentoonstelling: Helen Levitt. Tot 19/11 in Centre national de la photographie. Hôtel Salomon de Rothschild, 11, rue Berryer, Parijs. Catalogus: ISBN 2-86754-126-3, 75 ffr