`De minister heeft ons niet overrompeld'

De instelling van een werkgroep door minister Van Boxtel om contacten te onderhouden met moslims wordt door diezelfde moslims als een zegen ervaren, al wordt dat niet hardop gezegd.

Vertegenwoordigers van moslimorganisaties weigeren te spreken van een definitieve opheffing van de Samenwerkende Moskee-Organisaties (SMO). D. El-Boujoufi van de Unie van Morakkaanse Moslimorganisaties (UMMON): ,,Om de werkgroep een kans van slagen te geven, hebben we besloten de activiteiten van SMO voorlopig te bevriezen.'' ,,Wij voelen ons niet overrompeld door de minister'', zegt projectleider Feroz Namdar.

Ze hopen er stiekem op dat de overkoepelende moslimorganisatie die er begin dit jaar leek te komen, maar door onderlinge onenigheid nu toch ter ziele gaat, alsnog het leven kan zien; maar dan na ingrijpen van minister Van Boxtel. Hij heeft een werkgroep ingesteld waarin diverse moslimorganisaties zijn vertegenwoordigd. Wellicht zal de werkgroep alsnog instelling van een overlegorgaan adviseren, zal de minister dat advies overnemen en SMO als gesprekspartner erkennen, zo wordt stilletjes gehoopt.

Minderhedenorganisaties zien de oprichting van de werkgroep door de minister dan ook niet als teken van wantrouwen. Van Boxtel, zeggen sommigen, wilde SMO juist niet als het spreekbuis van moslims accepteren, omdat grote organisaties zoals de Nederlandse Moslimraad en Milli Görüs er niet vertegenwoordigd zijn.

Haci Karacaer van Milli Görüs verwijt SMO van het voeren van een ,,bloedgroepgevecht.'' Zijn organisatie heeft daarom nooit serieus overwogen zich bij SMO aan te sluiten. ,,SMO was geen professionele club die de verdeeldheid kon beëindigen. Mensen waren uit op eigen belang. De werkgroep van de minister wordt niet door één persoon geleid. Daarom heb ik er meer vertrouwen in.'' Volgens Karacaer is er geen sprake van inmenging door de minister. De betrokkenheid van het ministerie gaat niet verder dan beschikbaarstellen van vergaderruimtes, zegt Karacaer.

Moslims in Nederland bleken in het verleden te verdeeld om samen te werken in een overlegorgaan. El-Boujoufi, die al 25 jaar ,,actief is binnen de organisatiewereld van moslims'', zegt: ,,Wij zijn allemaal nog jonge organisaties, we hebben tijd nodig om tot elkaar te groeien.'' ,,In 1992 richtten we de Islamitische Raad Nederland op. Zes maanden later kwamen anderen met een eigen raad. Dat kan nu weer gebeuren. Je kunt ze niet tegenhouden.''

De SMO bleek ook al geen hechte groep te zijn. De Amerikaanse en Britse aanvallen op Afghanistan had afgelopen weekend al een scheuring veroorzaakt binnen de SMO. A. Tonca, die de 143 moskeeën tellende stichting Turkse Islamitische Culturele Federatie vertegenwoordigt, had namens de SMO verklaard dat de meeste moslims de aanvallen steunden. De Unie van Marokkaanse Moslimorganisaties Nederland distantieerde zich echter van SMO en verklaarde samen met elf andere Marokkaanse groeperingen de ,,nieuwe oorlog'' juist te veroordelen.

De nieuwe werkgroep staat onder leiding van Mohammed Sini, voorzitter van de werkgroep Islam em Broederschap. Sini erkent dat de organisaties in het verleden angstig waren hun invloed te verliezen. Toch zal die angst volgens hem nu geen obstakel zijn omdat de organisaties hun ,,identiteit en leden'' zullen blijven behouden.

Heikele punten betreffen, volgens Sini, de lijst van de deelnemers, de zittingstermijn en de bevoegdheden van het bestuur. ,,Maar hat zal wel lukken. Ik mag rekenen op gezond verstand bij de leiders. Ze beseffen ook dat de behoefte aan een centraal overlegorgaan groot is.''