SGP/Vrouwenverdrag

In het hoofdartikel van 2 oktober over de weigering van staatssecretaris Verstand om de aanbeveling van het uitvoerend Comité bij het Vrouwenverdrag van de VN betreffende de door Nederland te nemen (wettelijke) maatregelen tegen discriminatie van vrouwen door de SGP, wordt een belangrijk aspect over het hoofd gezien.

Net als de staatssecretaris gaat de redactie geheel voorbij aan het feit dat de aanbevelingen van het VN-comité geen vrijblijvend advies zijn. Het Vrouwenverdrag is een juridisch bindend instrument. Toen Nederland het Vrouwenverdrag ratificeerde heeft het alle verplichtingen die uit het verdrag voortvloeien geaccepteerd, zonder enig voorbehoud. Er is dus geen enkele reden waarom Nederland de bepaling omtrent het bestrijden van discriminatie van vrouwen in het openbare en politieke leven niet zou hoeven naleven ten aanzien van een in ons parlement vertegenwoordigde partij. Het VN-comité heeft bevestigd wat we allemaal al lang wisten: de SGP discrimineert vrouwen; hetgeen in strijd is met onder meer het Vrouwenverdrag.

Een ander punt in de discussie is de botsing van grondrechten, in casu komt het recht om niet gediscrimineerd te worden in conflict met het recht op godsdienstvrijheid. De huidige stand van zaken in het internationale recht is echter heel helder over de keuze die hierin gemaakt moet worden. Religie, tradities en gewoontes kunnen nooit een rechtvaardiging opleveren voor discriminatie van vrouwen. Dit wordt door Nederland overigens volledig onderschreven wanneer het eerwraak, genitale verminking van vrouwen en meisjes en andere schadelijke traditionele praktijken betreft. Deze houding is alleen geloofwaardig als dergelijke argumenten ook ten aanzien van in Nederland levende tradities niet getolereerd worden. Nederland is gehouden het verdrag na te leven en ervoor te zorgen dat onder andere politieke partijen niet in strijd met het Vrouwenverdrag handelen. Zolang Nederland dat niet doet, bestaat er een schending van een juridisch bindend mensenrechtenverdrag.

Wij benadrukken ook nog eens dat mensenrechtenverdragen minimumnormen bevatten. Het gaat om garanties waar geen enkele verdragsstaat onder mag komen, ongeacht de mate van welstand in een land, de politieke signatuur van de regering, de overheersende godsdienst of eeuwenoude tradities. Er is geen excuus.