Oude meesters gebruikten al een soort fotografie

Oude meesters gebruikten optische instrumenten om hun portretten levensechter te maken. Deze ontdekking van de Brits-Amerikaanse kunstenaar David Hockney werpt een geheel nieuw licht op het werk van meesters als Jan van Eyck.

Schilders als Van Eyck, Caravaggio en Velazquez hebben in hun werk gebruikgemaakt van optische instrumenten om voorstellingen op het doek of papier te projecteren. Tot deze conclusie komt de Brits-Amerikaanse kunstenaar David Hockney in zijn vandaag verschenen boek Secret Knowledge. Rediscovering the Lost Techniques of the Old Masters.

Rond 1420 doet volgens hem de holle spiegel zijn intrede in de Europese schilderkunst: vanaf dat moment zijn portretten plotseling veel levensechter, klopt de weergave van ingewikkelde patronen op geplooide stoffen en is de perspectivische vertekening van voorwerpen zo goed als volmaakt. Dat alles zou alleen mogelijk zijn dankzij optische hulpmiddelen, een soort fotografie avant la lettre.

De kiem voor Hockney's theorie werd gelegd toen hij in 1999 een tentoonstelling bezocht van tekeningen van de Franse schilder Ingres in de National Gallery in Londen.

Hockney was erg onder de indruk van de precisie waarmee de vaak bijzonder kleine tekeningen waren gemaakt en vermoedde dat Ingres een camera lucida had gebruikt. Met dit simpele optische instrument op basis van een prisma kan een voorstelling worden geprojecteerd op een vel papier. Hockney nam de proef op de som en werd bevestigd in zijn vermoedens.

Het was het begin van een twee jaar durende speurtocht door de Europese kunstgeschiedenis van de afgelopen zeshonderd jaar naar de oorsprong van het gebruik van lenzen of spiegels. Met de hulp van gezaghebbende kunsthistorici en wetenschappers vond hij in tal van werken aanwijzingen die zijn vermoedens ondersteunden.

Toch is lang niet iedereen overtuigd. Zo is het vreemd dat in de archieven zo goed als niets bekend is over het gebruik van dit soort hulpmiddelen en dat diezelfde middelen geen sporen op wat voor doek dan ook hebben achtergelaten.

Bovendien gaan Hockney's ideeën in tegen de traditionele opvatting dat kunst niets te maken heeft met kopiëren. Maar dat wijst hij resoluut van de hand: `Optics don't make marks', het zijn niet de optische instrumenten die een schilderij maken, daar is nog altijd de hand van de meester voor nodig.

Hockney's stelling, ook gebaseerd op onder meer werken van Da Vinci, Vermeer, Holbein, Dürer en Lorenzo Lotto, wordt betwijfeld in The Sunday Times van gisteren. De recensent, de bekende Australische schrijver en kunstcriticus Robert Hughes, wijst eveneens op het gebrek aan sporen van de camera lucida en op het niet te onderschatten talent van de genoemde schilders, maar herinnert daarnaast aan het, inderdaad, veelvuldige gebruik van technische hulpmiddelen tussen de zestiende en achttiende eeuw.

Hughes juicht het niettemin toe dat Hockney, die zelf een fervent fotograaf is, dit al regelmatig onderzochte terrein op zijn manier opnieuw heeft blootgelegd in zijn nu verschenen boek.