Militante marge Indonesië is versnipperd

Moslimextremisten steken her en der in de wereld de kop op, hier uitgroeiend tot bedreiging, daar niet meer dan een irritatie. Een korte serie. Vandaag: Indonesië.

De bombardementen op Afghanistan waren nog niet begonnen of in Jakarta en andere Indonesische steden gingen luidruchtige betogers, gehuld in witte gewaden, de hoofden bedekt met kalotjes en tulbanden, de straat op. Hun eisen gaan veel verder dan die van andere verontruste moslims. Zij willen een radicale breuk met de kafir (ongelovigen) die geweld gebruiken tegen `moslimbroeders' en zij jagen Westerlingen, die de Indonesische islam leerden kennen als tolerant en gematigd, de stuipen op het lijf.

Wie zijn zij? Fundamentalisten, handlangers van Bin Laden, of betaald voetvolk? De shock van 11 september heeft de verwarring nog vergroot, want de neiging bestaat radicalen en terroristen op één hoop te gooien. Toch zijn niet alle fundamentalisten gewelddadig en subversief. Ook in Indonesië, het grootste moslimland ter wereld, bestaan radicale groepen, maar zij zijn verdeeld en hun appèl op de massa der gelovigen vindt weinig weerklank.

De islam kwam acht eeuwen na het optreden van Mohammed via kooplieden uit het Midden-Oosten naar de Indonesische archipel en nog steeds domineert een heterodoxe, weinig doctrinaire geloofsbeleving. Veel Javanen, de grootste etnische groep, noemen zichzelf moslim, maar geloven in geesten en zien de helden uit de hindoeïstische wajangverhalen als rolmodellen. Binnen de grootste, `traditionalistische' gemeente berust het leergezag bij ulama (schriftgeleerden), die zich houden aan de middeleeuwse Syafi'itische rechtsschool, waarvan de exegese van Koran en hadith zeer flexibel en gezagsgetrouw is. Begin vorige eeuw werd het gezag van de ulama betwist door de `modernistische', stedelijke Muhammadiyah-beweging, die verkondigde dat onderwijs de gelovigen in staat stelt de Koran zelf uit te leggen. De traditionalistische beweging Nahdlatul Ulama (NU) en de Muhammadiyah hebben elk een aanhang van tientallen miljoenen. Samen vormen zij de hoofdstroom van de Indonesische islam, die de religieuze pluriformiteit van de Republiek erkent en een islamitische staat afwijst.

In de revolutionaire jaren 1945-'49 dook een radicale onderstroom op, de Darul Islam, die al voor de Japanse bezetting samenwerking met de Nederlanders had afgewezen. De imam, S.M. Kartosoewirjo, riep in 1949 in West-Java de Islamitische Staat Indonesië (NII) uit, maar de gewapende kernen werden geleidelijk opgerold door het Indonesische leger. Kartosoewirjo werd in 1962 geëxecuteerd. Het bewind van Soeharto depolitiseerde Indonesië als geheel en de islam in het bijzonder. Vrijdagpreken werden beluisterd door de inlichtingendienst en `opruiers' werden vervolgd. Na Soeharto's val kwamen de meeste radicalen bovengronds, wat de indruk wekte van een heus reveil.

De militante marge is versnipperd en telt zowel autochtone als `geïmporteerde' elementen. Van Indonesische bodem is de NII, volgelingen van Kartosoewirjo. Deze beweging is na de dood van de imam uiteengevallen in 13 minuscule, elkaar bestrijdende facties, te onderscheiden in twee groepen. De eerste, Fillah (In God), wenst `de strijd' te voeren met vreedzame middelen en meent dat de umma (geloofsgemeenschap) nog niet rijp is om de shari'a (islamitische wet) te aanvaarden. De tweede groep, Sabilillah (Weg Gods), wil gewapende strijd en telt veteranen van de oorlogen in Afghanistan en Moro (Zuidelijke Filippijnen). De NII bleef na Soeharto's val ondergronds en is georganiseerd in cellen. De 13 facties werven in het geheim recruten aan universiteiten.

Veel splintergroepen ontlenen hun doctrine aan buitenlandse bronnen. Hun ideeën kwamen naar Indonesië via afgestudeerden aan Midden-Oosterse hogescholen. De grootste splinter is Tarbiyah (Vorming), filiaal van de door de Egyptenaar Hassan al-Banna (1906-1949) gestichte Moslimbroederschap. Deze beweging beschouwt de islam als een totale leer, die alle aspecten van het leven omvat, ook politiek en economie. Einddoel is een islamitische staat, maar Tarbiyah acht alle inspanningen in die richting vergeefs zolang de umma niet bereid is de shari'a te aanvaarden als de grondslag voor het persoonlijke en sociale leven. Het accent ligt dan ook op geloofsverkondiging.

Tarbiyah vond in de jaren tachtig een geestdriftig onthaal op Indonesische campussen, maar bleef tot Soeharto's val ondergronds. Voor de verkiezingen van 1999 werd vanuit Tarbiyah de fundamentalistische Gerechtigheidspartij (PK) opgericht, die 7 van de 500 parlementszetels veroverde. Volgens Tarbiyah is democratie niet in de strijd met de islam, maar komt ze eruit voort. Het einddoel kan dan ook alleen worden bereikt langs democratische weg.

Het jongste importproduct is de Salafy-beweging, een spruit van het puriteinse wahabisme, de officiële leer in Saoedi-Arabië. De Salafy zijn ultra-monotheïsten. Het in Indonesië gebruikelijke bidden bij graven geldt als shirk – het toekennen van gezellen aan God – een doodzonde. Het gedachtengoed van de Salafy bereikte rond 1990 Indonesië, waar de beweging snel uiteenviel in volgelingen van Koeweitse en Saoedische ulama.

Imam van de Saoedische tak is Jaf'ar Umar Thalib (39), zoon van een godsdienstleraar uit Oost-Java. Thalib ging in 1986 studeren in Pakistan. Van 1987 tot 1989 vocht hij in Afghanistan tegen de sovjettroepen. In 1994 opende hij een internaat benoorden Yogyakarta, dat de Salafy-leer onderwijst aan kansarme jongeren. Volgens Thalib telt zijn in 1998 opgerichte Sunnitische Communicatieforum (FKAWJ) al 50.000 leden. De Salafy zijn uitgesproken antidemocratisch. Thalib schrijft: ,,De volkssoevereiniteit is een dwaling. Macht is slechts het eigendom van God en niet van het volk. Alleen Gods wetten gelden, ook al gaan die in tegen de wil van de meerderheid.''

Thalib haalde het wereldnieuws toen hij in april vorig jaar een jihad uitriep tegen christenen in de Molukken, nadat een Jemenitische Salafy-leider dit per fatwa (religieus decreet) tot geloofsplicht had verklaard. Enkele duizenden jihadstrijders vertrokken naar Ambon. De bewuste fatwa geldt overigens alleen voor Indonesië en Thalib wil zijn aanhangers niet naar Afghanistan sturen, want ,,de mujahedeen ginds zijn talrijk en zullen de ongelovigen ook zonder onze hulp in de pan hakken''. Thalib beschouwt Osama bin Laden en zijn terreurnetwerk Al-Qaeda als khawarij, lieden die rebelleren tegen islamitische overheden (onder andere de Saoedische), een vorm van ketterij.

De agressiefste betogers tegen de VS worden ingezet door het Front voor de Verdediging van de Islam (FPI), in 1998 opgericht door Habib Muhammad Rizieq Syihab, een ulama van Arabische afkomst. Het FPI kwam voor het eerst in het nieuws toen het in een uitgaanswijk van Jakarta – overigens opvallend selectief – café-inventarissen vernielde. Rizieq werft zijn voetvolk vooral onder stedelijke werklozen. Volgens het weekblad Tempo heeft het FPI banden met generaal bd Wiranto, gewezen chef-staf van de strijdkrachten, en met de vorige politiecommandant van Jakarta. Rizieqs troepen lijken te huur en worden nu, naar verluidt, ingezet om president Megawati in de problemen te brengen.