Kunst uit Ghana zonder veel samenhang

Het mooie aan jubilea is dat je ze ver van tevoren ziet aankomen. Toch begon het Gemeentemuseum Den Haag pas een half jaar voor dato met het voorbereiden van Het bloeiende kunstleven van Ghana, een driedelige, omvangrijke tentoonstelling ter ere van drie eeuwen diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en Ghana, met aandacht voor Ghana's dominante Akanculturen, de mode van het land en de hedendaagse kunst.

Voor gastconservatoren Van der Pas en Van de Raadt, verantwoordelijk voor het Akan-deel, was de voorbereidingstijd duidelijk te kort. De Haagse presentatie haalt het niet bij hun eerdere, kwalitatief hoogstaande tentoonstellingen over Zuid-Afrikaans design in de Kunsthal en Afrikaans keramiek in Leeuwarden.

Het belangrijkste euvel is de overdaad aan informatie. In dertien kabinetten wordt niet alleen aandacht besteed aan een paar eeuwen geschiedenis, maar ook aan status, parades, voorouders, vruchtbaarheid, het belang van taal en de kunstuitingen van de Marrons, de Surinaamse nakomelingen van vrijgevochten slaven. En dat teveel aan verhaallijnen resulteert in een gebrek aan samenhang.

Zo vertellen de koperen potten met islamitische motieven iets over contacten met Egypte, houten vrouwenbeeldjes iets over de matrilineaire overerving en de kunstig versierde goudstofdoosjes iets over de handel, maar wat die allemaal weer met elkaar te maken hebben, blijft onduidelijk.

In de laatste zes kabinetten is het aanbod een stuk eenduidiger dan in de eerste zeven. Hier zijn bijvoorbeeld schitterende kralencollecties van Tjechisch en Venetiaans glas te zien die een monetaire functie hadden.

Niet alleen thematisch verliest de tentoonstelling zich in de breedte. Ook de enorme variatie in stijlen en disciplines levert eerder een rommelig dan verrijkend effect op. Soms wordt de bezoeker verrast, zoals door een moderne hoed gemaakt van aluminium of Isaac Israëls' Portret van een Afrikaanse militair dat het belang van Ghanese troepen in het Nederlands-Indische leger illustreert. Maar het aanstippen van de slavenhandel met de in ieder geschiedenisboek opduikende kopergravures van de 18de-eeuwse John Gabriël Stedman is weer een regelrecht zwaktebod. Toch is het merendeel van de getoonde voorwerpen, veelal afkomstig uit privé-verzamelingen en zelden te zien, op zich de moeite waard. Met de excellente catalogus in de hand komt de geduldige geïnteresseerde heel wat te weten over de afzonderlijke stukken.

Hetzelfde mankement is ook, maar in mindere mate, aanwezig op het tweede deel van Het bloeiende kunstleven van Ghana, dat over mode gaat. Langs de wanden zijn lappen stof gehangen van de Nederlandse firma Vlisco, die al sinds de 19de eeuw het textiel met lijmdrukdessins maakt dat een ongekende populariteit geniet op de West-Afrikaanse kledingmarkt. De creaties van hedendaagse Ghanese modewerpers als Koti Ansah en Jimi Delaja tonen aan dat er, naast een hang naar westerse modellen en grondstoffen, veel aandacht is voor traditionele Afrikaanse stoffen zoals het smalbandweefsel Kente.

De wisselwerking tussen Noord en Zuid wordt verder onderstreept met werk van westerse modekoningen als Yves St. Laurent en Gianfranco Ferré, waarin de traditionele Afrikaanse gewaden de basis vormen voor Europese haute couture. Hoe geforceerd die Ghanese connectie soms is, blijkt wel uit de getoonde mini-avondjurk Kiko die John Galliano ontwierp voor Dior en die geïnspireerd is door de Masaï, een volk woonachtig aan de andere kant van het continent.

Het derde en laatste deel is wel de grootste misser van dit overzicht. De drie kunstenaars die in twee zaaltjes de hedendaagse Ghanese kunst representeren, lijken volstrekt willekeurig gekozen. De geënsceneerde studiofotografie van Philip Kwame Apagya is heel aardig, maar exact dezelfde werken waren vorig najaar te zien in het Tropeninstituut in Amsterdam. De `out of focus' zwart-wit foto's van Francis Provinçal zijn ronduit pretentieus. En de grote, klodderige schilderijen van autowrakken die George Hughes maakte, geven eerder blijk van onmacht, dan van zeggingskracht.

Het Gemeentemuseum heeft zich met Het bloeiende kunstleven van Ghana verslikt in zijn ambities; het wilde teveel in te korte tijd. Een gezamelijke insteek of verenigend thema ontbreekt en dat wordt onbedoeld nog eens bevestigd door de nikserige titel van de tentoonstelling. De herkansing komt over honderd jaar. Genoeg tijd dus voor bezinning.

Tentoonstelling: Het bloeiende kunstleven van Ghana. T/m 6/1/02 in Gemeentemuseum Den Haag. Publicaties: Aspects. Akan-cultures in Ghana, ƒ24,50. Ghana and Fashion, ƒ19,50.