`Kabinet verstrekt desinformatie'

Ministers en topambtenaren zetten het parlement regelmatig op het verkeerde been, stelt het Kamerlid Boris Dittrich (D66) in een vandaag verschenen boek. Het Kamerwerk als ,,permanente knokpartij tegen overheid, ministers en bureaucratie.''

Kabinetsleden verstrekken de Tweede Kamer zo vaak verkeerde informatie dat het niet meer om incidenten gaat. Desinformatie maakt onderdeel uit van de bestuurscultuur op departementen.

Dat stelt Boris Dittrich na zeven jaar ervaring als fractiespecialist met het ministerie van Justitie. En hij gaat ervan uit dat het er op andere departementen niet veel beter aan zal toegaan.

Regelmatig voelt hij zich ,,met een kluitje in het riet gestuurd'' bij de beantwoording door de minister op door hem of andere Kamerleden gestelde vragen. Dat gebeurde toen zijn eigen partijgenote, W.Sorgdrager, de scepter zwaaide op het ministerie van Justitie. Zo wilde Sorgdrager de Tweede Kamer doen geloven dat Frankrijk er, net als Nederland, niet in geslaagd was hun in Marokko gedetineerde landgenoten terug te halen om thuis hun straf verder uit te zitten. Juist op het moment van de beantwoording waren al tientallen Fransen terug naar huis gevlogen.

Maar ook onder het bewind van haar opvolger, B. Korthals (VVD), gaat het er volgens Dittrich niet veel anders aan toe. Dittrich: ,,Vorige maand gaf de minister een `niets aan de hand'-antwoord op vragen over de personeelsproblemen bij de Amsterdamse recherche. Inmiddels ligt er een rapport waaruit het tegendeel blijkt en dat er ook nog andere ingrijpende reorganisatieperikelen spelen. Hetzelfde gebeurde vorige week bij de ambtelijke informatie over de personeelsproblemen in het gevangeniswezen. Die informatie stond haaks op de dagelijkse praktijk die ik zelf heb geconstateerd. Ik vraag me af hoe ambtelijke beleving op het ministerie vaak zo kan afwijken van wat er feitelijk aan de hand is.''

In zijn boek omschrijft Dittrich hoe vaak de Tweede Kamer op het verkeerde been is gezet in het debat over het homohuwelijk. Hoe een topambtenaar van Justitie hem onder druk probeerde te zetten om af te zien van zijn pogingen om dat homohuwelijk op de politieke agenda te krijgen. Hoe door de Tweede Kamer aanvaarde moties niet door de regering werden uitgevoerd. Hoe hij via de oppositie in de wandelgangen over de bemoeienissen van koningin Beatrix met de wetgeving over het homohuwelijk moest horen. Opheldering kreeg Dittrich niet. Of het zou de cryptische uitspraak van toenmalig staatssecretaris E.Schmitz moeten zijn geweest dat ,,het buitenland er weinig van zou begrijpen en dat het bij sommige PvdA- en VVD-ministers heel moeilijk lag''. De kwestie kon pas geregeld worden bij de kabinetsformatie van 1998 toen de onderhandelaars van PvdA, VVD en D66 het eens werden over het homohuwelijk zonder de bemoeienis van onwillige ministers.

Het Kamerwerk is volgens Dittrich een ,,permanente knokpartij tegen de overheid, de ministers en de bureaucratie''. Een gevecht tegen ministers die voor beantwoording van vragen afhankelijk zijn van een vaak slecht geïnformeerd ambtelijk apparaat.

Zijn remedie? ,,Topambtenaren moeten veel meer gaan rouleren. Zodat het niet meer die specialisten zijn die alles weten van een heel klein deelgebiedje. Roulatie zorgt dat ze breder georiënteerd terugkeren en dan met gezag over onderwerpen kunnen praten, Omdat ze meer weten dan alleen dat ene beleidsterrein.''

De parlementaire enquêtecommissie-Van Traa toonde volgens Dittrich aan dat de Tweede Kamer wel degelijk haar tanden kan laten zien. ,,De hele Tweede Kamer heeft daarna gezorgd voor wetgeving met richtlijnen waaraan justitie en politie zich te houden hadden.'' Zo'n zeldzaam moment was volgens hem ook het `Doverdebat' over de affaire rond de illegale Chinezen die in een container op weg naar Engeland waren gestikt. ,,Het rechercheonderzoek liep spaak doordat allerlei rechtshulpverzoeken uit Frankrijk bij het ministerie op de plank waren blijven liggen: men had het te druk met de organisatie van Euro2000. Toen was de kritiek zo groot dat de minister een plan heeft opgesteld met een heel scala aan maatregelen met diepgaande personele consequenties voor het ambtelijk apparaat.''

Maar het is volgens Dittrich nu in de praktijk onmogelijk de dreiging van een parlementaire enquête voortdurend boven de markt te laten hangen. ,,Daar heeft het parlement de middelen niet voor. Voor zo'n enquête moeten alle fracties een deelnemer leveren die dan niet meer beschikbaar is voor het reguliere Kamerwerk.''

Alleen als er een permanent parlementsbureau met zo'n 20 à 25 man komt voor inhoudelijke ondersteuning van het Kamerwerk, kunnen er meer enquêtes komen, aldus Dittrich. ,,Niet met de bedoeling om ministers naar huis te sturen, maar om maatschappelijke problemen te ontrafelen. En om de controlerende positie van de Tweede Kamer aanzienlijk te verbeteren. Leden van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden hebben de beschikking over ondersteuningsteams. Daar worden brieven van burgers binnen 24 uur inhoudelijk beantwoord. In Nederland moeten Kamerleden veel serieuzer genomen worden in hun controlerende taak op de regering. Dat vereist zo'n goed geoutilleerd ondersteunend apparaat.''

Dittrich schreef het boek `Een blauwe stoel in Paars' als een persoonlijke evaluatie op de vraag of hij volgend jaar nog een derde termijn aan het Binnenhof ambieert. Het antwoord luidt `ja', de slechte verkiezingsprognoses ten spijt. Maar trekt hij geen persoonlijke consequenties bij electoraal verlies? Dittrich: ,,We hebben een interne kandidaatstelling. Als de partijleden vinden dat het met deze kandidaten niet lukt, moeten ze andere kandidaten kiezen. Als ik als kandidaat word voorgedragen en de verkiezingsuitslag valt tegen, reken ik het me in die zin aan dat ik dan ga praten over de vraag hoe we het met zijn allen beter kunnen doen.''