Herfst

De man draaide om zijn as, als een geweldige tol, en mijn hoofd begon te duizelen. Ik zat op dat moment op een strookje gras ergens in Breda en de zachtheid van de herfst was als een goddelijk geschenk. Geen enkel ander jaargetijde kan me zo'n gevoel van euforie en extase bezorgen.

Altijd in oktober moet ik aan die middag in de duinen denken, toen ik gewiegd door de zee en bedekt door een gesluierd zonnetje de liefde bedreef. Ik voel nog het zand van die dag in mijn gesloten vuist. Oktober is de maand waarin de druiven eindelijk barsten, de sappen gisten en de belofte van nog meer duizelingen wordt afgelegd. De zachtheid van de herfst is het geschenk voor een leven dat zijn volmaaktheid heeft genaderd.

Op deze zwoele herfstdag keek ik gisteren naar de tollende man die zijn eigen herfst celebreerde. Een kogelslingeraar van zeventig jaar. Bijna een anachronisme. 's Avonds thuis gekomen heb ik in een boekje vol statistieken en ranglijsten zijn naam opgezocht. Jan Smit is in het prille begin van het najaar van 1931 geboren. Wat daarvan in onze collectieve geheugen is opgeslagen, weegt niet zwaarder dan een handvol dode bladeren. Het is toevallig ook het jaar waarin mijn eigen moeder het licht zag. Op 6 september 1931 won de Italiaan Luigi Fagioli met zijn Maserati de laatste Grand Prix van het seizoen. Mahatma Gandhi schoof voor de tweede keer in Londen aan een ronde conferentietafel om zich over de toekomst van India te buigen. En op de 20ste van dezelfde maand moest de Australiër George Hubert Wilkins zijn poging staken om met zijn onderzeeër De Nautilus de Noordpool te bereiken.

Op de Bredase atletiekbaan van Sprint keek ik naar Jan Smit, die in zijn shirt van PSV Eindhoven voor de tweede keer de werpring ging betreden. En alle jongeren die om de kooi heen verspreid zaten werden plots stil. Sommigen hadden op deze man definitief een halve eeuw achterstand opgelopen. Geïntrigeerd en zwijgzaam aanschouwden ze zijn witte haardos en zijn droge lichaam. Ze zagen hoe hij de slingerkogel van vier kilo achter zich aansleepte. Alleen een lichte kromming van zijn rug kon zijn leeftijd verraden.

Natuurlijk weet ik ook wel dat Jan een uitzondering is en dat niet iedereen met de herfst weet om te gaan. Je hebt mensen die hun eigen najaar ongemerkt hebben overgeslagen en sinds een eeuwigheid een hoofd bezitten dat alleen wintertenen, gesprongen lippen en bevroren waterleidingen kan evoceren. Ze praten uren vol maar zeggen weinig. Ze kijken maar zien niets.

Het zijn de Mart Smeetsen van onze tijd, de verschrikkelijke sneeuwmannen van de steriele vlakten van Studio Sport die de herfst alleen kennen van horen zeggen. Die, als hen wordt gevraagd waarom ze op televisie niets van de Paralympics in Sydney laten zien, verveelt wegkijken en misprijzend zuchten: `Als we gehandicapte sport moeten uitzenden doe dan gelijk veteranensport bij.' Ja, stel je voor dat je verplicht zou worden het maatschappelijke in de sport te onderstrepen.

Jan Smit de veteraan heeft nog drie draaien te gaan. De oude leeuw vecht tegen de middelpuntvliedende kracht die hem buiten de ring wil zuigen. De slingerkogel is nu een horizontale streep. Een muzieknoot in de Brabantse herfst. Bij de laatste rotatie verlaat het projectiel de handen van Jan en ik hoor Vivaldi klinken. De man doet aan een harlekijn van zeventig jaar denken die op de rand van een afgrond een vreugdedans uitvoert. Als hij nu niet in de ring weet te blijven staan, is zijn poging ongeldig.

In de lucht lijkt de kogel met zijn ijzeren staart op een verdwaalde komeet. De achtergrond is van roestige bomen en ingehouden adem. Eindelijk ploft de kogel in het gras en spatten kluitjes aard in het rond. In de herfst van 2001 heeft Jan Smit met bijna 39 meter het Nederlandse record kogelslingeren voor veteranen 70+ verbeterd. De winter mag, wat mij betreft, nu best komen.