Hans Croiset ontroert als zelfgenoegzame Lear

Wat is koning Lear toch stom. Alleen al dat hij vóór zijn dood zijn rijk verdeelt, is vragen om moeilijkheden. Dat hij dan ook nog alles geeft aan zijn twee dochters die hem valselijk vleien en niets aan zijn derde dochter die dat gehuichel weigert, dat is een grof schandaal. Terecht dat hij voor zijn fouten moet boeten. En verstandig van regisseur Johan Doesburg dat hij van koning Lear geen zielige bejaarde maakt.

Weg met de sentimentele interpretatie, moet Doesburg hebben gedacht: de tijd is rijp voor iets hards. Voor knallende muziek, een ruige belichting en confronterend spel. Maar, vreemd, dat alles is niet hard genóeg. Want in plaats van verontrustend zijn de effecten bombastisch. Bombastisch ouderwets. We schrikken niet meer van de oubollige quasi-punk van Het Paleis van Boem. We knipperen niet meer met de ogen bij het verblindingslicht van Reinier Tweebeeke en zijn koude spotlights verliezen hun brutaliteit wanneer ze zijn gericht op kostuums (Rien Bekkers) in veel te warme en veel te gezellige tinten.

Het confronterende spel pakt evenmin schokkend uit: Johan Doesburg stuurt zijn acteurs zo ver naar voren dat de grote zaal de intimiteit van een kleine zaal krijgt en intimiteit is het laatste wat een onsentimentele King Lear kan gebruiken.

Wat ook stoort is het geschreeuw. Vooral Victor Löw laat zich gaan. Hij moet weliswaar iemand spelen die speelt dat hij krankzinnig is, maar Löw raaskalt schmierend in plaats van bijtend en scherp. Terwijl hij zo'n belangrijke rol heeft.

Zijn personage Edgar is de mannelijke pendant van Lears derde dochter: Edgar en Cordelia zijn allebei door hun vaders verstoten en toch proberen ze allebei hun vader te redden. Omdat ze trouw zijn en plichtsbewust, wat iets anders is dan edel. Löw slooft zich vreselijk uit om de nobele kanten van Edgar te laten zien; hij hangt de onstuimige jonge held uit en ook dat maakt deze King Lear nogal soft.

King Lear door Het Nationale Toneel gaat over geweld en ontwrichting, over wreedheid en ondergang.

In het programmaboekje overtuigt dat verhaal meer dan in de voorstelling, want waar Victor Löw te vet speelt, daar speelt Betsy Toorenbos te mager. Waarschijnlijk is zij gecast vanwege haar Maria-gezichtje; een andere reden voor de aanwezigheid van deze talentloze jonge actrice kan ik niet bedenken. En Antoinette Jelgersma en Ella van Drumpt zijn ondanks hun bloedrode jurken bloedeloze valse Lear-dochters – hoe het óók kan, hoe gemeen en vernietigend, lieten Bodil de la Parra en Mijs Heessen zien in een versie door Theater Het Amsterdamse Bos.

De enige acteurs die hier de braafheid doorbreken zijn Catherine ten Bruggencate en Hans Croiset. Ten Bruggencate speelt Lears nar die zijn wijsheid verbergt achter nerveus gestotter: verschrikkelijk om naar te luisteren en zo moet het ook. Hans Croiset, Lear `himself', ontroert. Niet, goddank, door medelijden te wekken maar door de perverse kanten van de oude koning te accentueren: zijn egoïsme, zijn zelfgenoegzaamheid, de arrogantie van de macht. De charmante, bijna tedere manier waarop hij huftert getuigt van Croisets meesterschap en Doesburgs halfslachtigheid doet daar niets aan af.

Voorstelling: King Lear door Het Nationale Toneel. Tekst: William Shakespeare. Regie: Johan Doesburg. Spel: Hans Croiset e.a. Gezien: 13/10 Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Tournee t/m 14/12. Inl. (070) 3181444 of www.nationaletoneel.nl.

    • Anneriek de Jong