Gemak en ongemak

De mens wil lijden. Van vroeg tot laat maakt hij het zichzelf moeilijk, omdat hem is geleerd dat de gemakkelijkste weg recht naar de hel voert. De meeste vrouwen willen pijn lijden bij het baren, zoals een enquête laatst nog uitwees. Zij kunnen niet geloven dat het ongestraft pijnloos kan. Met een beetje offeren houd je het noodlot te vriend, en als je dan maar spreekt van keuzevrijheid, neem je degenen die zeggen dat barenspijn gewoon niet meer nodig is de wind uit de zeilen.

Kiezen om het jezelf moeilijk te maken, geen hond zou op het idee komen, maar mensen zijn er gek op. De een bakt zijn eigen brood omdat hij gelooft dat dat zuiverder is, de ander leest nooit voor zijn plezier een boek omdat er altijd nog iets is dat hij voor zijn goede fatsoen gelezen moet hebben. De derde loopt op hoge hakken omdat dat elegant staat, en de concertzalen zitten vol met mensen die naar muziek luisteren die zij niet mooi vinden, omdat zij zich verbeelden aan iets hogers deel te hebben dan wanneer ze lekker bij André Rieu zaten.

In de kunst staat gemak helemaal in een kwade reuk: juist het veroorzaken van ongemak bij anderen wordt daar hogelijk gewaardeerd.

Dat makers van onzingbare muziek meer aanzien genieten dan Rieu ooit zal bereiken, kan niet zoveel kwaad. Er is tenslotte keuzevrijheid. Maar bij sommige dingen ligt dat moeilijker, en een van die dingen is architectuur. Een gebouw is een gebouw, een plein is een plein, en wie daar moet zijn heeft niks te kiezen. Die moet er gewoon aan geloven; als hij zijn hoofd stoot, van de trap valt of zich hulpeloos voelt, is van keuzevrijheid geen sprake. Het is de schuld van de architect.

In Delft is onlangs een heel dapper boek verschenen: het is vóór gemak en tegen ongemak. Terwijl Nederland dagelijks wordt verrijkt met pleinen, bruggen en bouwsels waar het gemak van de bezoeker is opgeofferd aan de vorm (en de glorie van bouwmeester en opdrachtgever) staat in dit boek hoe je een fatsoenlijke trap maakt.

Wilt u het weten van die trap? De vuistregel is dat tweemaal de optrede plus de aantrede rond 63 cm moet zijn; de lengte van een gemiddelde grotemensenstap. De treden moeten even groot zijn, zodat de klimmer in het ritme kan komen. Ach, het is een banale, oude architectenwijsheid, maar juist de meest ambitieuze bouwmeesters van vandaag hebben de grootste maling aan zulke wijsheden. Die hebben wel een paar gebroken benen, lekke fietsbanden en teleurgestelde rolstoelrijders over voor hun kunst.

Het dappere boek heet Tussen mens en plek. Het is geschreven door Ita Luten en Maarten Wijk, twee onverschrokken pleiters voor rechte muren, vlakke vloeren, veilige leuningen en overzichtelijke gangen. Wijk is een paar jaar hoogleraar Toegankelijkheid geweest op de faculteit Bouwkunde in Delft, en heeft in die tijd geprobeerd studenten en docenten ervan te doordringen dat niet oogverblindende vorm, niet verpletterende originaliteit maar bruikbaarheid de eerste eis is die aan ieder ontwerp moet worden gesteld. Dat is niet alleen nodig voor wie wankel ter been is, of zwak of onhandig, maar ook prettiger voor de rest.

De presentatie van het boek vond plaats in het Bouwkundegebouw van de TU. Er waren bloemen en vrij veel toespraken, want zo gaan die dingen, maar er was geen aparte ruimte gereserveerd. Nee, het gezelschap stond op een soort balkon, omspoeld door stoelengeschuif, stemmen en bestekgekletter van de cafetaria die zich een verdieping lager bevond. Een geïmproviseerde geluidsinstallatie zorgde dat de sprekers (net) te verstaan waren, een lattenbank diende als spreekgestoelte. Waarom al dat ongemak? Omdat dat de auteurs een aardige, informele omgeving leek. Niet zo'n stijf zaaltje.

Ik was een van de sprekers, lezer, en ik klaag niet, want het was een gezellige bijeenkomst, en van de waarde van het boek gaat geen greintje af. Integendeel, dit was een effectieve demonstratie van de hinderlijkheid van een lawaaiïge en oncomfortabele omgeving. En tevens, bedacht ik later, een bewijs voor de verleidelijkheid van ongemak. Voor hoe zelfs een professor in de toegankelijkheid (als hij even niet oplet) het zichzelf en zijn medemensen moeilijk kan maken. Want gemak, dat heeft toch altijd iets verdachts.