Eritrea: van grote belofte tot ordinaire dictatuur

Eritrea pakt dissidenten op en verbiedt onafhankelijke kranten. De hoop van Afrika onderscheidt zich in niets meer van de andere intolerante staten op het continent.

Politieke tolerantie is een spaarzaam goed in Afrika. Tot voor kort vormde Eritrea een uitzondering. Die vrijheid voedde het zelfvertrouwen van de Eritreeërs. Ze straalden een optimisme uit voor de toekomst waar elders op het continent somberheid de boventoon voert. Op een zwarte septemberdag ging deze hoop in één klap verloren, toen Afrika's jongste natie ieder dissident geluid verbood. Onafhankelijke kranten mogen niet meer verschijnen, de golf van arrestaties houdt aan en kritiek van Westerse donoren wordt niet geduld.

Uiterst gepikeerd reageerde de Eritrese president Issayas Afewerki enkele maanden geleden op grieven van dissidenten binnen zijn eigen regeringspartij. ,,Ik vraag jullie je verstand te gebruiken'', waren de enige woorden die hij aan hen wilde vuilmaken. Geen discussie, geen antwoord, geen argumenten. Gelijk een generaal die grieven van zijn ondergeschikten wegwuift. De arrogantie van de macht had postgevat in de hoofdstad Asmara.

Enkele maanden later was Issayas alle kritiek beu. Hij zette eenieder met een afwijkende mening achter de tralies, ook voormalige medewerkers, veteraan-bevrijdingsstrijders en zelfs zijn vrienden die in contact waren gebleven met de dissidenten. Journalisten vluchtten het land uit en kritische studenten gingen de werkkampen in. Eritrea onderscheidt zich in niets meer van de intolerante staten elders op het continent.

Issayas is niet het stereotype van een dictator. De president is een ontwikkelde, intelligente politicus. In tegenstelling tot menig Afrikaans staatshoofd verschuilt hij zich niet achter een imago van onaantastbaar stamhoofd. Hij gaat gekleed in alledaagse kleren en laat zich niet opsluiten in de driedelige pakken waar de Afrikaanse elite zo dol op is. Issayas loopt op slippers, slentert na zijn werk nog een uurtje in de straten van de hoofdstad Asmara en drinkt een espresso op een terrasje. Een man van het volk, zo wil hij overkomen, wars van persoonlijkheidsvereering. Dat is één van de lessen die hij leerde tijdens zijn dagen in de bush.

De leerschool van de Eritrese machthebbers was uitzonderlijk lang. Ze kwamen voort uit de rebellenbewegingen die dertig jaar moesten vechten voor de bevrijding. Die lange periode in de wildernis met boeren en nomaden had zijn voordelen. Ruimschoots kregen ze de kans fouten te maken en te corrigeren. Ze bakkeleiden over islam en christendom om godsdienstige tegenstellingen in de toekomst te vermijden. Ze voerden oeverloze debatten over vreemde ideologieën om ten slotte hun marxistische leer te vergeten. Ze vlogen elkaar naar de keel om zich uiteindelijk uit te spreken voor een pluriform en democratisch bestel, lang vóór de meeste Afrikaanse regeringen dit deden onder buitenlandse druk. In de jaren tachtig concludeerde menige buitenlander na een bezoek aan de koppige verzetsstrijders: in Eritrea wordt aan het nieuwe Afrika gewerkt.

Bij hun leergang voor het nieuwe Eritrea konden de rebellen rijkelijk putten uit de ervaringen van jonge Afrikaanse naties na de jaren zestig. Met afgrijzen zagen ze hoe de euforie van de onafhankelijkheid was gesmoord door politieke machtswellust, economisch wanbeheer en corruptie. Toen in 1991 hun beurt gekomen was om de macht te grijpen, hadden ze de tekortkomingen van de Afrikaanse elites geanalyseerd. De Eritrese regering beloofde pluralisme, de economie van de vrije markt, geen ideologische franje, goede relaties met buitenlandse donoren maar geen onderdanigheid en afhankelijkheid. Eritrea zou vertrouwen op eigen kracht.

Eén cruciaal onderzoek hadden de rebellenleiders achterwege gelaten, namelijk zelfonderzoek. Als vanzelfsprekend hadden ze aangenomen dat ze ook geschikt waren voor de rol van politici en regeringsleiders. Direct na 1991 werd in Eritrea geopperd dat de vrijheidsstrijders zich moesten terugtrekken om de burgerpolitici naar voren te laten treden. Deze stemmen verdronken in de golf van solidariteitsbetuigingen aan de bevrijders die beloofden snel vrije verkiezingen te zullen houden. Die beloftes kwamen ze niet na.

De kiem voor een dictatuur werd toen gelegd. Zolang er geen fundamentele meningsverschillen bestonden was Eritrea een volksdemocratie. Repressie was niet nodig want er bestond geen oppositie. Het sterke nationalisme van de Eritreeërs domineerde alles. Intussen fungeerden de bevrijders als legerleiders en politici.

De militaire discipline in de samenleving werd versterkt met het uitbreken van een nieuwe oorlog in 1998 met Ethiopië. Juist leek het erop dat een jongere generatie Eritreëers zich begon te ontworstelen van de krijgstucht uit het verleden toen de jongeren opnieuw naar de frontlinies werden geroepen om het vaderland te verdedigen.

Issayas moet gedacht hebben dat hij net als in 1991 na de oorlog zonder tegenspraak kon doorregeren. Hij schortte de wet voor de vorming van politieke partijen voor onbepaalde tijd op. Als argument voerde hij aan dat de tijd daar door de oorlog met Ethiopië nog niet rijp voor was. De dissidenten brachten daar tegen in dat na de verloren oorlog juist meer democratie en transparant beleid nodig was. Toen zij bleven ageren, toonde Issayas zijn ware, militaire gedaante. Hij schakelde hen uit en boorde ieder optimisme in Eritrea de grond in.

De Eritrese president heeft zich daarmee in de rij geschaard van Afrikaanse ex-bevrijders die potentaten werden. Robert Mugabe van Zimbabwe heerst met het hetzelfde militaire vuur als tijdens zijn dagen in de bush. In Namibië dienden de ex-bevrijders van Swapo onlangs voorstellen voor draconische perswetten in. En zelfs in Oeganda begin de voormalige bevrijdingsstrijder Yoweri Museveni steeds autoritairder op te treden. De bevrijdingsstrijd blijkt geen goede leerschool voor een democratische politicus.