De staatssecretaris die niet aan Den Haag kon wennen

Ik ben een bestuurder, geen politica, zegt staatssecretaris Geke Faber (Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) over zichzelf. Dat oordeel lijken vriend en vijand te delen. ,,Ik denk dat ze als burgemeester het meest op haar plek was'', zegt een jeugdvriendin.

Na premier Kok heeft onlangs bijna ongemerkt een tweede PvdA-bewindspersoon aangekondigd in 2002 niet op de kandidatenlijst te willen voor de Tweede-Kamerverkiezingen volgend jaar. Staatssecretaris Geke Faber (Landbouw, Natuurbeheer, Visserij) heeft geen zin in Kamerwerk. Via een aantal regionale dagbladen liet ze weten dat ze het niets voor zichzelf vindt als parlementariër ,,de regering constant achter de broek te zitten.'' Zij is in Den Haag níet teleurgesteld geraakt in het politieke bestuur. Daarin zou zij graag opnieuw een functie krijgen. Want, zegt Faber: ,,Ik ben een bestuurder, geen politica''.

Of zij als `bestuurder' zal terugkeren in een volgend kabinet is de vraag. Faber geldt als een van de zwakkere staatssecretarissen in Paars II. Eigenlijk is zij niet meer losgekomen van het beeld dat in het eerste jaar na haar aantreden ontstond: terwijl in België een schandaal uitbrak rond met dioxine vergiftigde kippen, verzuimde Faber te waarschuwen voor de Belgische kippen in Nederlandse voedselschappen. Een woedende Tweede Kamer zag er maar nét van af haar tot aftreden te dwingen.

Sindsdien ging het vrijwel elke keer dat Faber van zich deed horen om wat ze níet goed deed in de ogen van haar tegenpartij. Ze kreeg ruzie met boeren over de bestrijdingsmiddelen, ruzie met vissers over vis, en bittere verwijten van natuurorganisaties over haar inspanningen voor de aankoop van natuur.

Vorige week sloegen twee zelfs oude rivalen op het gebied van natuurbeheer en landinrichting, vereniging Natuurmonumenten en boerenorganisatie LTO-Nederland, de handen ineen in een gezamelijke klachtenbrief over Fabers gebrek aan slagvaardigheid. Jos Roemaat, die namens LTO met Faber overlegt over landschapsbeleid, komt naar eigen zeggen aan tafel wel eens met haar tot overeenstemming. ,,Maar als de consequentie is dat ze bij andere departementen moet aankloppen, zoals bij Financiën of VROM, is het altijd `oeps', en dan gebeurt er niets'', klaagt hij.

Gerard Doornbos, voorzitter van LTO, kreeg enkele weken geleden knallende ruzie met Faber over het bestrijdingsmiddelenbeleid. Het probleem is, zegt hij, niet zozeer wát ze denkt, maar dat daarover met haar niet te praten valt: ,,Ze verschuilt zich altijd achter juridische en ambtelijke argumenten. Uiterst onplezierig.''

Ook met de Kamer ligt Faber steeds overhoop – zelfs wanneer die haar in grote meerderheid steunt. Zo bepleiten bijna alle partijen jaarlijks dat Faber meer geld krijgt voor haar natuurbeleid. Faber volhardde tot dusverre echter in een verwijzing naar de twee miljard gulden die ze al extra hád gekregen. Kamerlid Marijke Augusteijn (D66), die vaak in ergernis voorop loopt bij debatten met Faber: ,,Ik heb deze staatssecretaris ervaren als een grote teleurstelling, een remmende factor.'' Faber is volgens haar ,,ongeïnspireerd'': ,,Alle ideeën die ze uitvoert, komen uit de Kamer.''

Als een van de eerste recruten van aankomend PvdA-leider Melkert, toen kersvers fractievoorzitter, kwam Geke Faber in 1998 naar Den Haag. Hij was het die haar – tot haar eigen verrassing – in de zomer van dat jaar belde in haar burgemeesterswoning in Zeewolde, Flevoland. Ze bespraken voor welke posten ze in aanmerking zou komen en hij beval haar aan bij Kok. Op de vraag hoe zij reageerde op het uiteindelijke aanbod van het staatssecretariaat op Landbouw, antwoordde Faber kort na haar aantreden in het blad van het ministerie: ,,Het lijkt mij een leuke functie; boeiend. Maar Den Haag is voor mij toch zo onbekend. Ik weet niet of het echt heel leuk is. Maar Ad Melkert belde mij maandagavond en zei dat hij het zeer op prijs zou stellen als ik het zou willen doen. Heel gek, maar wel leuk.''

Als staatssecretaris moest Faber haar studie rechten aan de Open Universiteit afbreken. In Zeewolde deed zij dat er naast. Ze wil de studie later afmaken.

Geesje Henrika Faber werd op 5 augustus 1952 geboren in 's-Graveland, als eerste van vier kinderen in een CHU-gezin (dat later, onder haar invloed, PvdA zou stemmen). Moeder werkte, tot haar huwelijk, als laborante. Vader was onderwijzer en later, in het speciaal onderwijs te Ommen, schoolhoofd. Het gezin verhuisde regelmatig, van school naar school, waardoor Faber naar eigen zeggen aan die periode vooral ,,gebroken vriendschappen'' overhield. Haar jongste broer Erik, negen jaar na Geke geboren, herinnert zich vooral de opstandige zus die de vrijheden van de kinderen bij de ouders bevocht.

Ze was 13, 14 toen ze besloot zélf geen kinderen te nemen. Geke wilde tegendraads zijn, niet voldoen aan de verwachting, zegt ze. ,,Ze ging haar eigen gang. Ze had liever niet te veel sociale druk'', zegt jeugdvriendin Wilma Klaassen, die Faber leerde kennen tijdens de laatste jaren op de HBS in Nijmegen. ,,Geke was vroeg zelfstandig en erg strijdbaar, vooral als het om emancipatie ging.'' Het irriteerde haar dat de jongens in het gezin alles mochten, en zij niet, aldus Faber.

Op haar achttiende (1970) ging Faber vanuit Nijmegen naar Groningen op kamers om te studeren – psychologie. Daar stortte zij zich op het bestuur van de toneelvereniging. Gevraagd naar haar vroegste politieke activiteit, noemt ze de dag ze op de HBS op de tafel klom en campagne voerde voor haar verkiezing in de leerlingenraad. ,,Als de leraren in de klas mogen snoepen, mogen wij het ook'', riep ze zenuwachtig temidden van joelende medeleerlingen. Ze werd gekozen.

Het studeren in Groningen liep spaak. Ze ontmoette de bevlogen student Hero Werkman, PvdA-lid. Hij was stil publiek bij de vergaderingen van de toneelclub, maar citeerde 's nachts in het café het vers ,,mijn vrouw is dood'' van Marcellus Emants. Hij viel voor haar toen zij het citaat afmaakte, vertelt hij. Kort daarna verhuisde Faber naar Werkmans boerderij in Zandhuizen, in de Zuid-Friese gemeente Weststellingerwerf. Met de daar gevestigde woongroep was het snel afgelopen. ,,Zij eruit of ik eruit'', vertelde Faber haar geliefde, die haar kort daarop huwde.

Werkman was toen fractieleider van de PvdA in de gemeenteraad. Broer Erik herinnert zich hoe hij met zijn zus een begrotingsbehandeling in de raad bijwoonde. Om de tijd te doden, breide Geke een sok. `De begrotingsbehandeling duurde anderhalve sok', stond er de volgende dag in de krant.

In 1974 ging Faber aan het werk bij het destijds beroemde bouwbedrijf Moes te Zwolle. Na hulp van premier Den Uyl en minister van Financiën Duisenberg was het bedrijf door eigenaar Moes verkocht aan het personeel. Vijf-, zeshonderd man aan het arbeiderszelfbestuur, het Joegoslavische model! Faber zette als eindredactrice het personeelsblad op, de Smoeskoerier. Rob Nijhof, toen bedrijfsleider en haar mederedacteur, herinnert zich de bijeenkomsten op de boerderij van Faber en haar man, waar de `bouwvakkers' een keer per maand `redactioneel onderricht' kregen van Geke. Na afloop kwam de wijn op tafel, en soms een pondje in de omgeving gestroopte paling.

Nijhof heeft bewondering voor de vasthoudendheid waarmee Faber zich staande hield tussen de `bouwvakkers', voor wie het niet vanzelfsprekend was lessen te krijgen van een vrouw. Hij noemt Faber ,,pragmatisch, helder en strak.'' ,,Ze probeerde altijd bewijzen te verzamelen voor haar stelling'', maar, vindt hij, ze was door haar vasthoudendheid ,,politiek niet altijd even handig''.

Faber was inmiddels lid geworden van de partij: ,,Zo ging dat toen'', vertelt ze nu in haar kamer op het ministerie: ,,Hero was van de PvdA, dus ik ook.'' Hij werd wethouder, zij al snel voorzitter van de plaatselijke afdeling en gewestelijk bestuurslid, ,,belast met het werk ten behoeve van de vrouwelijke leden''. Binnen enkele jaren, in 1978, was ze jong en aanstormend lid van de Provinciale Staten in Friesland, waar ze zich bezighield met ruimtelijke ordening. Ze zou tot 1990 zou blijven, de laatste jaren als fractievoorzitter. Toenmalig Statenlid Nel Boonstra (CDA) werkte veel met haar samen: ,,Geke had een lastige fractie, maar ze was een knokker. Ze moest soms streng optreden in de fractie en dat ging haar goed af''.

Na 1985 waren Boonstra en Faber tegelijk de landelijke voorvrouwen van de vrouwenbewegingen bij hun partijen. Op hun treinreizen naar Den Haag vochten ze hun politieke verschillen niet uit, maar deelden ze ervaringen. Ze maakte in die tijd ook deel uit van het dagelijks bestuur van de partij.

In 1989 treedt ze terug als voorzitter van de Rooie Vrouwen, ,,moe van het politieke gekrakeel''. Na een jaar rust is ze blij als ze in 1990 kan terugkeren in een bestuurlijke rol: burgemeester van de Flevolandse `nieuwe' gemeente Zeewolde. Ze koopt een penthouse in het centrum, en reist eens in de paar weken naar de boerderij in Weststellingerwerf (waar Werkman nog steeds wethouder is).

Begin jaren negentig komt Rob Nijhof, inmiddels commercieel directeur van Moesbouw, Faber in Zeewolde opnieuw tegen. ,,Ze was harder geworden,'' vindt hij, ,,een doortastende vrouw.'' Uit die burgemeesterstijd komt deze karakterisering veelvuldig terug, doorgaans met de toevoeging: politiek niet handig. Wim Nomen was als gemeentesecretaris de rechterhand van burgemeester Faber. Persoonlijk kon hij het uitstekend met haar vinden, maar in de raad en daarbuiten moest hij vaak optreden als ,,bemiddelaar'', zegt hij. Faber kwam in botsing met raad en bewoners over haar plannen voor nieuwbouw. ,,Ze speelde het hard tegen hard'', vertelt Chris Koning, die haar als niet-Zeewoldenaar van nabij leerde kennen door zijn betrokkenheid bij een door Faber geleid project om een kunstroute buiten de stad aan te leggen. ,,Ze wist wat ze wilde en was heel duidelijk. Dat was niet altijd verstandig.''

Zeewoldenaar Theun Schaaf karakteriseert Faber als ,,een bestuurder die van bovenaf wel denkt te kunnen bepalen wat goed is voor de bevolking.'' Hij meent dat zij het ,,vervelend'' vindt ,,als mensen inspraak eisen''. Uit protest richtte Schaaf met anderen Leefbaar Zeewolde op, dat samen met een andere lokale protestpartij in 1998 in éen keer bijna de helft van de stemmen haalde in de gemeenteraadsverkiezingen. Kort daarna vertrok zij naar Den Haag.

Faber herinnert zich nog de eerste keer dat ze als staatssecretaris een besluit voorgehouden kreeg. Of ze even een paraaf wilde zetten. De vogelrichtlijn. Ze deed het en vroeg: ,,Ja, en dan?'' ,,Niets,'' was het antwoord. ,,Dit is het besluit.'' Dat was de grootste overgang vanuit het collegiale bestuur in de gemeente naar Den Haag, vindt Faber: de eenzaamheid van de staatssecretaris.

Daarnaast moest ze erg wennen aan de omgang met de Kamer, zegt ze: ,,het politieke handwerk, daar was ik even uit.'' In het begin vertelden ambtenaren haar dat ze ,,iets achter de hand moest houden'' als ze haar voorstellen naar de Kamer stuurde. ,,Ik dacht dan: ,,We vinden dit toch allemaal een mooi plan?'' Maar met ergernis stelde ze vast dat ,,in Den Haag het politiek profileren heel belangrijk wordt gevonden.''

In het dit jaar verschenen boek De Ontpoldering van de Nederlandse Landbouw noemt Faber het ,,de grootste fout die gemaakt is'' dat zij in 1998 samen met D66'er Harm Hajo Apotheker op Landbouw kwam. Apotheker, ex-burgemeester in Leeuwarden, had evenmin ervaring in de landelijke politiek. Terwijl hij al snel in de problemen raakte over het terugdringen van het mestoverschot – hij zou er in 1999 om aftreden – worstelde Faber met de onvolledige koeienregistratie en de dioxine-kippen. ,,We konden elkaar niet helpen'', zegt Faber. Aan de paarse fractievoorzitters vertelde ze: ,,Dit moeten jullie nooit meer doen, twee mensen zonder Haagse ervaring op één departement.''

Van Apothekers opvolger Laurens Jan Brinkhorst verloor Faber een gevecht over het deel van haar portefeuille dat hem interesseerde: de voedselveiligheid. Faber stortte zich sindsdien - naast haar `natuur' – onder meer op het pachtbeleid, de afschaffing van de drijfjacht en het terugdringen van bestrijdingsmiddelen. ,,Ze is wel iemand die tegen de sector in durft te gaan'', prijst Dijsselbloem, inmiddels lid van de Tweede Kamer voor de PvdA.

Intimi zijn allerminst verrast dat Faber niets voelt voor een plaats in de Kamer. ,,Dat is te omslachtig voor haar'', denkt jeugdvriendin Klaasen, die haar nog met enige regelmaat spreekt. ,,Zij wil resultaten zien. Dat duurt haar te lang'', meent broer Erik. Klaasen: ,,Ik denk dat ze als burgemeester het meest op haar plek was. Zoiets ziet ik haar wel weer doen.''