De piraten

Begin jaren tachtig was er onrust aan het radiofront. Niet alleen kunstenaars en krakers, ook allerlei andere enthousiastelingen spaarden en knutselden tot ze een eigen FM-zender op zolder hadden staan en begonnen een piratenstation.

Het is nu moeilijk voorstelbaar dat mensen er de moeite en tijd voor over hadden. Misschien zijn dat mensen die tegenwoordig veel met hun kleinkinderen op pad gaan of websites bouwen voor de kegelclub. Toen in ieder geval staken ze alle vrije tijd in hun zender en in het onderhouden van contact met bevriende zenders. De strijd tegen de mannen van de PTT, die in peilwagens langs landwegen en door volksbuurten patrouilleerden, maakte het allemaal nog spannender.

Als arbeidsongeschikte had de vader van mijn vriendin alle tijd om zich met huid en haar op het piratenwezen te storten. Naar één van zijn favoriete Duitse schlagers (het speelt zich af in de zuid-oostelijke hoek van Limburg) doopte hij zijn zender Wini-Wini. De uitpuilende kasten met grammofoonplaten (,,Ik heb er te veel om ze te draaien'', klaagde hij altijd als hij commentaar kreeg op zijn eenzijdige muziekkeuze) zouden nu eindelijk van pas komen.

Om een zender te hebben had je geld nodig. In navolging van kameraden die in snackbarren, verenigingslokalen en cafés stickers verkochten bij wijze van donateurschap voor hun zenders, maakte hij een ontwerp met palmboompjes, een lachende schone met lang donker haar en sierletters met de naam en frequentie van het station. Het was nog een hoop werk om geld over te houden na alle investeringen en de mosterdgele ovalen te gelde te maken.

Iedere zichzelf respecterende zender had een `lady', dit om ervoor te zorgen dat de zender een vaste luisterkring kreeg, samengesteld uit huisvrouwen, die via de telefoon (in verband met groeten doen) gezellig met de lady konden kletsen en mannen die deinend op de radiostem naar de lady konden hunkeren.

Wat was er nu zo piraat-achtig aan deze zenders? Ten eerste dat ze verboden waren en dat het soms toch mogelijk was wekenlang ongestoord uit te zenden. Ten tweede dat het een mogelijkheid was de muziek alle ruimte te geven, die op de reguliere zenders gediscrimineerd werd: Nederlandse en Duitse schlagers, soms oude soft-pop en smartlappen van Elvis. De muziek die de gewone mens mooi vindt, zonder dat de commercie hem opjut, althans dat was de redenering. Ten derde, dat het een gemeenschapje opbouwde rondom een paar zenders, van mensen die elkaar kaarten stuurden waarop de technische gegevens vermeld stonden van het ontvangen signaal (,,Je kwam door op 10!''), die bij elkaar platen aanvroegen, elkaars zenders verborgen voor de PTT en buurtruzies, familieleed en opwinding over de lokale politiek lieten resoneren via hun microfoons. Vaak gingen ze veel bij elkaar langs, al dan niet op de camping.

Radio Wini-Wini delfde het onderspit tegen de verbeterde peil-en opsporingscapaciteit van de PTT en het gebrek aan medewerking van de familie van de oprichter. Zijn dochter, die voor lady Laura speelde, had er genoeg van toen ze een vaste vriend kreeg en niemand wilde met de oerlelijke stickers leuren.

De lokale en regioradio vervult nu grotendeels de rol die destijds de piratenzenders hun bestaansrecht gaf. Ze zijn veel interactiever, gezelliger, volkser geworden. En de commerciële radiolicenties voorzien in de behoefte aan oude hits, Nederlandse schlagers of belegen rock & roll.

Natuurlijk deden alleen direct betrokkenen er verstandig aan veel naar de piraten te luisteren. Maar radio is niet alleen signaal. Verdwenen is die fall out aan bijkomstigheden, het gezeul met spullen, de samenzweringachtige gezelschappen, de geestdrift voor elkaars station, de aandoenlijke huisvlijt en `artistieke' ideeën, die rondom de piratenzenders opbloeiden. Bijkomstigheden die de uitzendingen hun gloed gaven. Als nu ergens de slagzin `the medium is the message' iets betekende, dan in het geval van de piratenzenders.