Angstig, maar meer nog geestig en sterk

,,Netty, wat vind je zelf je mooiste film?'' Netty Rosenfeld aarzelde niet. ,,Primo Levi.'' Terecht. Primo Levi, een levensschets (1991) is een van de mooiste documentaires die Rosenfeld maakte. Enerzijds een afgewogen schrijversportret van de auteur van Is dit een mens, anderszijds een stil geschreeuwd beeld van een mannenleven dat nauwelijks meer geleefd wilde worden, nadat het de vernietigingsmachine van de nazi's met succes had weten te doorstaan.

,,O ja'', hernam Rosenfeld. ,,En mijn programma over de Zaïrese asielzoekers. Dat vind ik ook het mooiste. Ik ging janken toen ze werden uitgewezen en vervolgens mochten ze toch blijven.'' Een spannende dag (1994) was een reportage in de serie Lopende zaken waarin ze verslag deed van de ijskoude gang van zaken in het grenshospitium van Schiphol. Goed verteld, stevig neergezet. Maar haar mooiste film?

Rosenfeld had geen zin onderscheid aan te brengen. Wat er gebeurde met die Zaïrezen naderde dicht aan haar eigen verleden, vandaar. Ik sprak niet tegen. Twee dingen het mooiste vinden en dat met aplomb plausibel maken, dat kon Netty Rosenfeld.

Gistermorgen is ze in Amsterdam gestorven, waar ze woonde sinds ze haar huis aan de dijk in Kortenhoef moest verlaten, omdat een slopende ziekte haar besprong. Die ziekte heeft alleen haar lichaam kunnen aantasten. Van haar geest joeg ze hem met succes vandaan. Zo sterk was ze, zo sterk was ze altijd al geweest.

Als jonge vrouw was Netty Rosenfeld verpleegster in Amsterdam, bij het ziekenhuis Centrale Israëlitische Ziekenverpleging. Toen in 1942 de bezetter de patiënten onder haar handen vandaan afvoerde, dook ze onder. Na de oorlog bleek dat haar vader in Sobibor vermoord was. Haar moeder had ze bij haar geboorte verloren. Ze kwam via Radio Herrijzend Nederland terecht bij de AVRO-radio. En omdat ze behalve haar warme mooie zangstem – ze zong zelfs bij het Metropole Orkest – ook mooi was, werd ze op 5 oktober 1951 ingezet voor de eerste AVRO-televisieuitzending, de tweede Nederlandse televisieavond in de omroepgeschiedenis. Ze moest de directeur van dierentuin Artis interviewen en die zette een grote levende pad op haar hoofd. Presenteren was dus niks voor mij, concludeerde ze en al snel werkte ze, naast haar radiowerk, mee aan het samenstellen van filmpjes. In de jaren zestig belandde ze bij de VPRO waar ze zich ontwikkelde tot een filmer met een volstrekt eigen stijl: ze ging op pad en stelde vragen.

Rosenfeld was geestig en kritisch en scherp, ironisch en soms stout. Ze ging roekeloos haar eigen weg. Die weg voerde haar naar de reportages voor Landgenoten (1976) waarvoor ze geblinddoekt een pijltje in de kaart van Nederland gooide en zodoende uitmaakte waar ze zou gaan filmen. Langs Culemborg...bijvoorbeeld, de serie waarvoor ze de zilveren Nipkov-schijf kreeg. Maar ze kwam ook terecht bij enorme onderwerpen: Michael en Robert (1997), over de zoons van de geëxecuteerde Ethel en Julius Rosenberg, of het aangrijpende Ik heb mijn oog geslagen aan het bed (1993), over een Amsterdamse huisarts. En alles werd door haar met dezelfde inzet aangevat en uitgewerkt. Tussendoortjes bestonden niet. Dat kon ook niet: ,,Mijn leven zit in al mijn films'', zei ze in een gesprek met deze krant. Die films, de grote zowel als de kleine, vertelden over angst, beaamde ze bij diezelfde gelegenheid. Die angst echode haar eigen angsten die grondig waren aangelegd in de Tweede Wereldoorlog, maar ,,we gaan toch niet de hele tijd over de oorlog praten, hè?''

Rosenfeld liet iedereen in zijn waarde, dat was een kwestie van beroepseer, maar tegelijk wist ze zeker dat je altijd alles mocht vragen, zolang je vraag maar voortkwam uit eerlijke nieuwsgierigheid. Vragen kon ze goed, kleine vragen stellen op de achteloze toon die ze, verklapte ze, zichzelf had aangeleerd. Ook had ze zich aangewend de geïnterviewde niet rechtstreeks aan te kijken. Haar blik, die inderdaad indrukwekkend was, schrikte de mensen soms af, dus die richtte ze maar liever op de tafel. Geen harde vragen, zelden althans, want daar hield ze niet van: ,,Mij gaat gauw iets te ver.''

Haar laatste film werd afgelopen mei uitgezonden. Hij heette Zonder rabbinaal toezicht en Rosenfeld ging er in op zoek naar de joodse gemeenschap in Nederland, omdat ze nooit het idee kreeg dat die namens haar sprak. Ze pakte het onderwerp aan op haar eigen breed uitwaaierende wijze, kritisch, emotioneel, bezorgd, soms giechelig. Ze was achteraf niet tevreden over de film, vond haar eigen rol te prominent. Je kunt zeggen dat de film niet haar beste was, maar hij bevatte wel één van de mooiste scènes van haar complete oeuvre. Hij speelt zich af in het gezelschap van fanatieke Ajax-fans, die zich immers `joden' noemen. Rosenfeld zat in een lage stoel tegenover een vervaarlijke, per definitie boze jongen. Trots liet hij zijn gespierde buik zien: in diepzwarte pseudo-gotische letters stond er het woord `jood' op getatoeëerd. Toen Rosenfeld haar vragen stelde, werd het monster een lam. Zij kon niet bevatten wat die jongen en zijn makkers nou toch in vredesnaam bedoelden, hij snapte niet wat die vrouw moest met dat gepraat over `joden'. Jood zijn, dat betekent dat je van Ajax houdt, meer niet. En als het oorlog zou zijn? vroeg Rosenfeld, zou je de joden dan helpen? Heus wel, zei de jongen, maar wat had dat met Ajax te maken? Puur wanbegrip zagen we, maar niemand stond voor gek. De grijze dame met de keurige warme stem niet, de Ajax-jongen met zijn krachtsvertoon niet. En juist dat er tussen hen niets duidelijk werd, maakte deze beelden eens zo superieur en van de film een typische, weergaloze Rosenfeld-productie.