Vrijmetselaars

In het terzijde van uw artikel over vrijmetselarij (W&O, 6 okt.) stelt u dat er geen extreme voorvallen bekend zijn van vrijmetselaars die elkaar in de politiek of de samenleving de bal toespelen. Alhoewel ik deze stelligheid niet graag voor mijn rekening zou nemen, is daar (naast de relatief open en controleerbare structuur van de Nederlandse samenleving) ook een goede reden voor. Het is, tot aan een groot politiek echec in kort na 1891, in Nederland wel eens heel anders geweest. Hierbij het verhaal.

In de tweede helft van de negentiende eeuw was de invloed van het vrijmetselaars verband op de samenleving namelijk juist wel heel groot. De hiërarchische structuur binnen het Groot Oosten van Nederland leende zich daar uitstekend voor, terwijl een aantal loges verlicht genoeg waren om ook onderdak te bieden aan de toen nog steeds niet geaccepteerde Doopsgezinden, Joden (Wertheim) en Katholieken. In 1884 werd, na prins Alexander, de Zwolse procureur en lid van de Overijsselse Staten, JPG van Diggelen, grootmeester van het Groot Oosten van Nederland. De invloed van de vrijmetselaars, jaren aangevoerd door leden van de koninklijke familie (Frederik, Alexander), was zo groot dat rond 1886 bijna alle burgemeesters van Friesland lid waren van de vrijmetselarij. Met Buma (liberaal Tweede Kamerlid uit Hindeloopen), Van der Houven van Oordt (grondspeculant en Gedeputeerde van Gelderland, bevriend met Willem III) en de invloedrijke bankier Wertheim, wist Van Diggelen (een hoogmoedig man) de aandacht voor de inpoldering van de Zuiderzee (het levenswerk van zijn vader, BPG van Diggelen) weer nieuw leven in te blazen. Dankzij zijn positie stelden zich burgemeesters, leden van de adel en invloedrijke leden van de koninklijke hofhouding, breed achter dit streven. Lely werd in dienst genomen, deed zijn bekende onderzoek en werd in 1891 Minister van Waterstaat in het kabinet Tak van Poortvliet.

En toen ging het, evenals eerder met zijn vader (die er aanleiding toe gaf dat het Parlement rond 1855 voor de tweede keer van het nieuw verworven enquêterecht gebruik maakte, en daarmee de steun van Willem III en Thorbecke verspeelde) mis. In Van Diggelen's netwerk zaten ook enkele bekwame katholieke bestuurders. Zeer waarschijnlijk daardoor bracht Van Diggelen in de Overijsselse Statenvergadering die de nieuwe leden der Eerste Kamer moest aanwijzen zijn stem `verkeerd' uit. Door deze ene stem werd een Katholiek in de Kamer gekozen. In het kleine politieke wereldje brak de pleuris uit (excusez moi). Van Diggelen moest terugtreden uit vele maatschappelijke posities, zijn functie binnen de vrijmetselarij werd onhoudbaar, en nog geen jaar later hadden vrijwel alle Friese burgemeesters hun lidmaatschap van de loge opgezegd (op nog geen hand vol na). De inpolderingsplannen voor de Zuiderzee gingen voor jaren de kast in.

Nadere informatie bij de archivaris van het hoofdkantoor der Vrijmetselarij in Den Haag. Zijn voorganger kon het verhaal wel dromen. Nog tijdens de Eerste Wereldoorlog werd er op dit debacle gewezen, dus de klap dreunde lang genoeg na om de maatschappelijke invloed van de vrijmetselarij op landelijk niveau een flinke tijd uit te schakelen.

Geen wereldschokkend verhaal, wel iets dat de sluier der onschuld wegneemt.