Vlamverkenningen

Al heel lang, al tien jaar om precies te zijn, schuilt in het AW-dossier een vraag over keukengeisers. Over keukengeisers in hun relatie tot petroleum. Het is zo'n typische elektronische brief: heel lang zie je hem niet en dan opeens is-ie er weer, met één druk op de knop. Hoe komt het toch, vroeg destijds een email-inzender, dat je de petroleum in een jampotje dat op de grond staat opeens zo goed ruikt als je de keukengeiser aanzet.

Het was niet helemaal waterdicht geformuleerd, maar aannemelijk is dat het petroleumpotje ook in de keuken stond. Er was dan ook zeker antwoord gekomen, als niet ook de email zelf zo'n bedompte lucht had afgegeven. Soep met laurier en mergpijp, natte handdoeken en beslagen ramen. Inmiddels zijn we in een volgende eeuw beland en hoor je vaak beweren dat niemand nog een geiser heeft.

Vragen die lang in het dossier liggen worden daar niet beter van. Maar waarachtig, deze week stònd er een potje met petroleum-achtig vocht op de grond, met een kwast erin, even moest de geiser aan en daar wàs die petroleumlucht. De vrijwillige inzender had helemaal gelijk gehad en misschien leest hij dit nog.

En nu? Wie eenmaal flink petroleum heeft gesnoven ruikt de rest van de avondpetroleum. Proefondervindelijk is de zaak niet aan te pakken. De Winkler Prins weet het ook niet natuurlijk en een normaal mens valt anderen niet lastig met zo'n probleem. Het moet dus maar even bij een voorlopige theorie blijven. Het meest voor de hand ligt dat het ontsnappen en verbranden van het geisergas een flinke convectiestroom op gang brengt. Boven de geiser stromen veel hete gassen weg en dat moet aan de onderzijde worden gecompenseerd. Als de keukengeiser brandt staat de gebruiker meestal met het hoofd dicht bij het toestel. De uit de diepte aangevoerde petroleumdampen komen dan vanzelf langs.

Misschien is het waar, misschien ook niet. Het is hoe dan ook een bruikbare aanleiding om vandaag twee andere geiserwaarnemingen te behandelen. De geiser in het AW-dagverblijf is nu dertig jaar oud en was als de herinnering niet bedriegt van het merk Junkers. Hij is voorzien van een beveiliging tegen het uitwaaien. Dooft het kleine waakvlammetje dan koelt het thermokoppel dat in de waakvlam steekt snel af en sluit de elektromagnetische klep die al die tijd het gas vrijelijk liet stromen.

Nu goed. Het gas voor de waakvlam stroomt uit een minuscuul sproeiertje dat de vakman een nozzle noemt. Deze sproeier is de Achilleshiel van de geiser. Want àls de waakvlam eens door een windvlaag of onbesuisde beweging dooft en hij blijft een paar uur in die toestand, dan wil hij niet meer aan. Wordt het toestel aan het begin van de vakantie moedwillig afgezet dan doet zich aan het eind van de vakantie hetzelfde euvel voor. De geiser heeft dit vanaf de eerste dag gehad.

Na enig trial and error is al begin jaren zeventig duidelijk geworden dat het in voorkomende gevallen zaak is de sproeier even door te prikken. Een fijn koperdraadje uit een meeraderig elektriciteitssnoer voldoet daartoe het best. Het wordt er min of meer op gevoel in gestoken en daarna is altijd alle leed geleden.

Kortom: menselijkerwijs gesproken staat vast dat de sproeier bijna onmiddellijk nadat de vlam dooft dichtslibt. Maar met wat? Na dertig jaar mag men zich die vraag stellen. Er was een vage herinnering aan een technisch artikel waarin het euvel wordt toegeschreven aan de vorming van condensaat, een zwavelverbinding of zoiets. Maar het technisch gasinstituut Gastec kreeg het niet boven water.

En de importeur kan ook niet hepen. Van condensaat wil hij niets weten. ``Het is gewoon stof'', zegt de importeur, ``u prikt stof weg met die prikker. U moet die geiser ook niet uitdoen, u bent te zuinig.'' De sproeier heeft een opening van 0.08 mm, zegt hij nog, als hem daarnaar gevraagd wordt. De AW-schatting was 50 à 65 micron geweest.

Stof in de geiser? Op zo'n onnozel nozzletje? Stof van 80 micron en dat al binnen een dag? Daar gaat dit laboratorium niet mee accoord. Dan valt de andere geiser-waarneming voorlopig beter te duiden. Die gaat zo: bereid een schuimend sop door flink heet water toe te voegen aan een emmer waarin vooraf een schep waspoeder was geworpen. Met Ariel Color werkt het zeker, maar met een vergelijkbaar product van Unilever of Henkel zal het ook wel lukken. Waar het om gaat is dat de vlam van de brandende geiser fel oranje kleurt zodra het eerste water op het poeder is gevallen. (Vooropgesteld, natuurlijk, dat de geiser midden boven de gootsteen hangt, anders wordt het niets.). Het effect is niet zo raadselachtig: de klaterende waterstraal slaat wat druppeltjes los uit de oplossing, die worden met de convectiestroming mee omhoog genomen en komen in de vlam terecht. Kennelijk zit er nogal wat natrium in het Ariel: het is bekend dat natrium een vlam fel oranje kleurt. Een emmer met keukenzout brengt hetzelfde teweeg.

Waar het om gaat is dat de felle vlamverkleuring ook optreedt als het water niet in maar naast de emmer stroomt. Ook uit een volkomen rustig vloeistofoppervlak kan dus al veel natrium ontsnappen. Desgewenst is het proefje op wat kleinere schaal te herhalen met een eetlepel waarop wat zout water ligt. Breng die onder de vlam van het gasfornuis en let op de verkleuring. Bedenk dan dat men middelbare scholieren opvattingen over verdamping en destillatie bij brengt die hier niet mee in overeenstemming zijn.