Verborgen vrijheid

Ongeveer 30.000 Afghanen wonen in Nederland. Onder hen de familie Nangrahary die op een galerijflat in Heemstede woont. Hoe beleven zij de aanvallen op hun land? ,,Nu worden de mujahedeen van de Noordelijke Alliantie plotseling half tot helden uitgeroepen. Voor ons zijn dat óók terroristen!''

Er was eens een koning, zegt Mary Nangrahary (25), en die was het beste dat Afghanistan is overkomen. Hij heette Amir Amanullah, hij was in 1919 aan de macht gekomen en werd nog geen tien jaar later verbannen.

Zijn echtgenote koningin Suneiya, zegt Mary's moeder Malalai (51), was de eerste vrouw die zonder sluier in het openbaar verscheen!

Zijn vrienden, zegt Mary's oom Abdul Ahad (61), waren jonge intellectuelen, schrijvers, kunstenaars. En Amanullah reisde veel, ook naar Europa, zo werd hij modern.

Hij was een ware democraat, maar hij was een beetje te snel voor zijn tijd, zegt Mary's vader Abdul Ahmad (56). Hij gaf het land een grondwet, zorgde voor spoorwegen, betere scholen, snellere wegen, er kwamen kranten in Afghanistan. Maar de schriftgeleerden kwamen in opstand en Amanullah moest afstand doen van de troon.

Mary: ,,Ja, dat is wel triest. Dat ik helemaal terug moet naar 1919 om een democratische held te vinden.''

Hoe beleven Afghanen in Nederland deze week? Het is het tweede bezoek op een galerijflat in Heemstede. Afgelopen zondagavond stond CNN ook aan, maar toen, de dag dat de Amerikaanse aanval op Afghanistan begon, was het gezelschap te groot en te aangeslagen om echt te praten. In dit gebouw wonen drie Afghaanse gezinnen met in totaal tien kinderen – zondag waren ze er bijna allemaal. Het zijn de gezinnen van Abdul Ahmad en Abdul Ahad Nangrahary, respectievelijk Mary's vader en Mary's oom. Zij heten hier vanaf nu ook vader en oom, omdat hun namen zo verwarrend veel op elkaar lijken. Ook het gezin van Abdul Wahab Ashraf en zijn vrouw huist in dit gebouw. Hij is de broer van Mary's moeder Malalai. Mary woont om de hoek in een bejaardenwoning. Bij haar oma, voor wie ze zorgt.

Nu zitten alleen Mary's ouders, haar oom Abdul Ahad en Mary zelf rond de tafel om verder te praten. Zij hadden het zondagavond over ,,de democratie die verstopt zit onder al die baarden en sluiers op tv''. Over dát Afghanistan zouden we het hebben. Over hoe ze er vertrokken ook. Op tafel ligt een fotoboek, achter ons staat nog steeds de televisie aan. Het is dinsdagavond. Een voorman van Al-Qaeda dreigt met `een storm van gekaapte vliegtuigen'. En de mujahedeen van de Noordelijke Alliantie dragen plotseling camouflagepakken.

,,In de jaren zestig was het volstrekt normaal dat vrouwen in Afghanistan naar de universiteit gingen'', zegt Malalai. ,,Wij leefden net als de studenten hier: zonder hoofddoek en in een mini-jurk.'' We giechelen bij de foto's. Malalai had ook een suikerspinkapsel. En soulpijpen als ze geen mini droeg.

De Nangrahary's zijn een artsenfamilie: Malalai werd gynaecoloog, haar broer was hoofd van de afdeling interne geneeskunde in het universiteitsziekenhuis van Kabul. Mary's vader Abdul Ahmad is chirurg en was ook als hoogleraar verbonden aan de medische universiteit van Jalalabad. Mary's oom Abdul Ahad werd directeur op het ministerie van Volksgezondheid in Kabul. En Mary studeert nu in Amsterdam medicijnen, ze staat op het punt haar co-schappen te lopen. ,,Mijn ouders hebben me altijd geleerd dat je als arts mensen moet zien, niet hun overtuiging. En als arts ben je al snel geliefd. Daarom wilde ik het ook worden.''

Wie op de grote groepsportretten tussen de zwartwitfoto's géén arts was, was ten minste landbouwingenieur. Twee ooms van Malalai waren senator. De meeste familieleden wonen nu in Pakistan, Duitsland of Frankrijk. Maar er zijn ook nog broers, ooms en neven in Afghanistan. En één dochter, van Mary's oom Abdul Ahad. Zij is achtentwintig en hij heeft haar jaren niet gezien.

De meeste Afghanen in Nederland zijn net als de Nangrahary's hoogopgeleid of gegoede middenklasse – zonder geld of contacten was het vrijwel onmogelijk er weg te komen. De arme Afghanen die je met smekende handen op de televisie ziet, zeggen de Nangrahary's, dat zijn dus de echte hopelozen. ,,Maar het is niet het échte Afghanistan.'' Er is wel degelijk veel modern en ontwikkeld aan het land, zeggen zij. Je ziet het alleen nooit, omdat dat alles zich al jaren verspreid in het buitenland bevindt.

Mary, haar ouders en haar twee broers vluchtten al eind jaren tachtig voor de mujahedeen het land uit. Na zo'n vijf jaar in Pakistan gewoond te hebben, kwamen ze acht jaar geleden naar Nederland. Een paar jaar later, toen de Talibaan aan de macht kwamen, kwam ook Mary's oom.

,,Ik ben een open mond'', zegt Malalai. ,,En ik ben een democraat. En ik haat fracties.'' In Afghanistan liet ze dat bovendien liefst weten aan wie het niet horen wilde: de directie van het ziekenhuis waar ze de afdeling gynaecologie leidde, militairen. ,,Dat werd een beetje een probleem'', grinnikt Mary.

Het is eind jaren zeventig als de communisten een staatsgreep plegen. Vrijwel de voltallige familie Nangrahary sluit zich aan bij de communistische volkspartij DVPA – maar niet de ouders van Mary die neutraal willen blijven.

Ja, dat gaf wel wrijving, zegt Mary's oom na enig aandringen. Hij werd wèl lid en zou daaraan later ook zijn hoge functie op het ministerie van Volksgezondheid danken. Ook Malalai's broer, die beneden in de flat woont, werd lid. Malalai: ,,Natúúrlijk gaf dat spanningen, Abdul Ahad. Dát en mijn grote mond.''

Al een paar maanden na de communistische machtsovername wordt Malalai in het ziekenhuis gearresteerd. Dankzij familieleden binnen de partij zetten ze haar celstraf om in huisarrest. Zij mag niets doen, geen boodschap. Maar door de inval van de Russen, die een gematigder communist aan de macht helpen, hoeft Malalai niet langer dan een half jaar binnen te blijven. Daarna kan ze weer aan het werk: steeds meer mujahedeen vechten tegen steeds meer Russen, ook lastige artsen zijn nodig. Bijna tien jaar lang slagen de Nangrahary's er vervolgens in de kinderen buiten de oorlog te houden. Die blijft lange tijd kilometers ver.

Op de televisie lijkt Afghanistan alleen maar kaal en troosteloos, maar in Jalalabad woonden ze in een lieflijk huis tussen bloemen en druiven. ,,Daarbinnen werd alles voor ons geregeld'', zegt Mary. ,,Mijn broers en ik waren heel beschermd.'' Van de eerste oorlogsjaren herinnert zij zich flarden, juist de laatste tijd. Angst voor biologische terreur? ,,Wij mochten nooit water drinken uit grote watercentrales. Want dat kon vergiftigd zijn.''

Mary zegt het een beetje gegeneerd: ,,Buiten werden kinderen die het minder goed hadden door mujahedeen ontvoerd. Hun ouders werden afgeperst. In Kabul is daadwerkelijk water vergiftigd en kregen schoolmeisjes die opstandig waren zoutzuur in hun gezicht. En in Jalalabad maakten mijn broers en ik eigenlijk gewoon plezier, binnen.''

Dat bleef lang zo, zelfs nog even toen de oorlog in 1988 Jalalabad definitief bereikte en er met mortieren op de stad werd geschoten. Wat herinnert Mary Nangrahary, toen twaalf jaar oud, zich van die laatste dagen in haar geboorteplaats? ,,We gingen oma pesten. Naar haar toe sluipen en dan doen alsof een raket werd afgeschoten. Heel hard BOEM! in haar oor roepen.'' Erg gelachen hebben ze, maar inmiddels heeft haar jongste broertje Humayun, toen negen, een oorlogstrauma. Humayun is nog steeds erg emotioneel en kan onverwacht te heftig reageren, vindt de familie. Hulp wil hij niet.

Omdat ze arts waren verbood de partij Mary's ouders te vluchten. Maar toen de mortiergranaten vijfenvijftig dagen rond hun huis waren neergekomen en ze twee weken zonder eten zaten, konden communistische familieleden een plaats regelen in een gevechtshelikopter naar Kabul, 150 kilometer van het front bij Jalalabad. De piloot was een neef. ,,Natuurlijk'', zegt Mary cynisch. ,,De mensen met de hoogste functies en goede contacten en de mensen die het konden betalen mochten weer eens eerst.'' Malalai: ,,De familie Nangrahary was een rare kluwen van opvattingen, van aanhankelijkheid en afhankelijkheid.'' Voor Mary's vader was anderhalve maand later plaats.

Hij wilde in Afghanistan blijven, Malalai wilde meteen het land uit. Kabul was een compromis. Daar zocht oom Abdul Ahad mee naar werk. Zijn baas, de staatssecretaris op het ministerie van Volksgezondheid, ontbood de vader van Mary ongeveer tezelfdertijd: ,,Hij noemde ons verraders van de revolutie omdat we zonder toestemming onze posten verlaten hadden. Maar het echte probleem was dat we geen lid waren van de partij.'' De geheime dienst begon ze in de gaten te houden. Toen dreigde de staatssecretaris de Nangrahary's terug naar het front te sturen.

,,Ik kon daar niets aan veranderen'', zegt Mary's oom.

,,Nee, jij kon daar niets aan doen'', zegt Mary's vader.

Stukjes met de auto, stukjes lopen, stukjes met een busje. 's Nachts bombardementen waarbij het konvooi vóór hen werd geraakt. Zo zijn ze in twee dagen via de bergen naar Pakistan gevlucht.

In Pakistan woonden de Nangrahary's bijna vijf jaar. Mary's vader is in die tijd nog naar Afghanistan teruggekeerd. Dat was in 1992, toen president Najibullah door de mujahedeen was verdreven. In een mobiel ziekenhuis van een Duitse hulporganisatie werkte hij op verschillende plekken tussen Kabul en Jalalabad.

Het duurde negen maanden. Toen wonnen ,,de meest extreme mujahedeen'' het gevecht tussen de elkaar beconcurrerende verzetsgroepen. Mary's vader werd gearresteerd. ,,In Afghanistan was je als hulpverlener plotseling fout'', zegt hij.

Malalai: ,,Pas nadat we in Pakistan waren aangekomen, drong het tot ons door dat het halve Westen, Amerika voorop, de mujahedeen in het zadel hield. En nu worden de mujahedeen van de Noordelijke Alliantie plotseling half tot helden uitgeroepen, omdat het in de strijd tegen Al-Qaeda goed uitkomt. Voor ons zijn dat óók terroristen!''

Mary's vader had geluk, precies deze mujahedeen hielden hem maar een week vast. Korte tijd daarna vermoordden ze vier VN-hulpverleners, onder wie een Nederlander. ,,Ik heb kunnen vluchten door veel geld te betalen.''

Nu had ook Mary's vader er genoeg van. De Nangrahary's wilden naar een veilig land.

Homerisch gelach aan tafel, rode konen. De vraag was of Nederland meteen het land van hun voorkeur was. Nou nee, is het antwoord, zo denken Afghanen toch niet, als het maar ergens is waar het veilig is. Maar ze moesten toch kiezen? De familie Nangrahary komt niet meer bij.

Mary: ,,Dat gaat toch via mensensmokkelaars, joh!''

Haar oom: ,,Dacht je dat wij zelf een ticket kochten? Je hebt al je geld in te leveren en dan hoop je er maar het beste van! Hahaha!''

Mary: ,,Wij hadden geen paspoorten meer en geen geboorteakte. Dus je koopt alles. Zo doe je dat.''

Per auto ging het door Rusland naar Tsjechoslowakije. Een vliegtuig, weer auto's. Dat het Nederland werd merkten ze pas toen ze uit de laatste auto werden gezet met de woorden `Dit is Amsterdam en daar is een politiebureau, daar krijg je hulp.'

Mary: ,,Pas later ontdekten we dat we in Zeewolde waren. Wisten wij veel, we waren doodsbang.''

Ze liepen naar het bureau. Daar, toen agenten hun kleren op papieren gingen doorzoeken, kreeg Mary's vader een hartaanval.

Mary heeft nu een bijbaantje – o, ironie, tja, zegt ze. Tassen controleren. Bij de beveiliging op Schiphol. Dus. Giechel. Niet echt de plaats en de tijd om rond te bazuinen dat je Afghaanse bent. Niet dat ze er een geheim van maakt, er zijn collega's die het weten, de meesten doen niet moeilijk. ,,Maar soms'', weifelt ze. ,,Weet je wat ik moeilijk vind? Dat Nederlanders zo snel zeggen maar je hebt het toch goed hier en wij helpen je toch, de rest is onze schuld niet. Mensen proberen zichzelf meteen te rechtvaardigen. Wij zien dat toch een beetje anders.''

Nadat Mary's vader kort was behandeld in het ziekenhuis, belandden ze in een asielzoekerscentrum in het Friese Langweer, daarna volgde een woning in Heemstede. In de jaren daarop vond van de hooggekwalificeerde oudere Nangrahary's alleen Malalai's broer Abdul Wahab een baan – hij werkt nu met gehandicapten in Zandvoort. Hoe geïntegreerd mag je dan raken? Wie als buitenlandse arts de hier vereiste papieren wil krijgen om aan het werk te mogen, moet een half jaar tot een jaar een soort stage lopen, onder supervisie van een andere arts. ,,En daar heeft niemand tijd voor'', zegt Malalai een beetje bitter. ,,Ze willen niet. Eerst zijn ze heel aardig, later komt de brief: `Sorry'.'' Mary's vader had steeds het gevoel dat de lat snel ietsje hoger werd gelegd als hij daar in de buurt kwam. Inmiddels heeft hij het opgegeven: een half jaar geleden is hij gedotterd en nu mag hij zich echt niet meer opwinden.

Help ons een democratie op poten te zetten en we gaan terug, zeggen ze alle vier. Mary ook. ,,En mijn Afghaanse vrienden denken er net zo over. Ik ga op de moderne manier terug – de wereld is een dorp geworden, Nederland zal altijd mijn tweede land blijven en ik wil hier ook iets bijdragen. Maar in Afghanistan moet íemand het toch doen? De kinderen die daar nu wonen lijden honger en zijn nooit naar school gegaan.''

Wat is dat toch met jullie Afghanen? Dat was de vraag. Het was al laat, grappen over en weer brachten wat opluchting. Zijn jullie écht onverslaanbaar, ruwe bonken? Hahaha. Ze riepen door elkaar: Ja, dat gaat terug tot Alexander de Grote! Dat is ons bloed!

De ongeveer 30.000 Afghanen in Nederland vormen geen homogene groep. ,,Het bijzondere van Afghanen is ook dat ze onverenigbaar zijn'', lacht Mary, ,,tót je ze in het nauw brengt. Dan staan ze als één man tegenover je.''

In Afghanistan, zegt Mary's oom dan serieus, spreken we van een schoon hart. ,,Dat betekent dat je een man van je woord bent, maar de keerzijde is grote koppigheid.'' Malalai: ,,We zijn ook koppig in de vriendschap hoor. Als je een vriend van ons bent, dan blijf je dat.''

,,Het tragische van Afghanistan'', vervolgt Mary's vader, ,,is dat het zonder daar iets aan te kunnen doen altijd een strategisch cruciaal land was. Het was een buffer tussen het oude Britse imperium en tsaristisch Rusland. Het was een invloedsgebied van de Amerikanen en de communisten. En nu ligt het land tussen Amerika en Bin Laden. Maar dat kan het lánd niet helpen!''

,,Wij weten niet beter dan dat grootmachten graag invloed op ons land krijgen en daarom allerlei beloftes doen'', zegt Mary's oom.

,,En dat niemand zich daar vervolgens aan houdt'', zegt Mary's vader. ,,Ik heb één ding geleerd in al die jaren: wie zijn doel in Afghanistan heeft bereikt verlaat ons.'' Zachtjes: ,,Ik vertrouw mijn land wel. Maar de mensen niet.''