Vannacht pas komt de pont

Wolven, ratten, mijnenvelden, jeeps zonder remmen, tolken die geen Engels spreken – welkom in Afghanistan. Op reportage achter de linies van de Noorde- lijke Alliantie. `De steniging begint om vier uur.'

Zondag 7 oktober

Om tien uur 's avonds horen we het nieuws. Bij het licht van een petroleumlamp en via de kortegolfradio: George W. Bush kondigt de luchtaanvallen op de Talibaan aan. `Crushing', `Re.....less', `substantial', knauwt het door de ruis. De Amerikaanse timing is wat ons betreft gebrekkig. We zitten klemvast bij grenspost Kukul in Tadzjikistan, achter een heuvelrug kronkelt de rivier Pjanzj door de Afghaanse woestijn.

Vannacht vaart er geen pont naar de overkant. ,,Jammer, maar nee'', zegt Sergej, de commandant van de Russische grenstroepen. Hij werkt niet op zondag. Op sloffen en in trainingspak commandeert hij gemoedelijk zijn Tadzjiekse ondergeschikten rond. ,,Slaap vannacht maar hier'', zegt Sergej. ,,We hebben licht, televisie, wodka.''

Helaas hebben we ons al in het laatste truckerscafé van de beschaafde wereld geïnstalleerd. Twee hokken met uitzicht op verwoeste containers, tanks en gesloopte vrachtwagens. De zeden zijn los voor dit deel van de wereld. Vrouwen zonder hoofddoekjes koken boven een houtvuur pilav, vettige rijst met wortels en schapenvlees. Op een plank staan zeven flessen wodka.

Wij hadden hier liever niet willen zijn. Mereli, onze Tadzjiekse tolk, had een neef bij de KGB van Moskovski. Op dat vliegveldje komen dagelijks helikopters met gewonde mujahedeen binnen – wij zouden dan mee terugvliegen naar Noord-Afghanistan. Op het vliegveld zitten militairen op witte tuinstoelen in de schaduw, de kalasjnikovs loom op schoot. Na een eindeloze serie groeten en omhelzingen in slowmotion volgt het slechte nieuws – vandaag wordt er niet gevlogen boven Afghanistan. De neef weet ook niet waarom. Om tien uur 's avonds volgt de verklaring via de radio. Het Afghaanse luchtruim is nu van de Amerikanen.

Maandag

,,Sommigen krijgen een vrouw, anderen een pik.'' Het is niet eerlijk verdeeld in deze wereld, vindt Ferdavz. Hij spuwt een groene klodder nos in het zand. Het scherpe mengsel van tabak en kruiden dat men onder de tong legt en dat een helder gevoel geeft. Ferdavz wacht al zes dagen op een vracht uit Afghanistan. Hij slaapt in de cabine van zijn Kamaz, een vrachtwagen uit de sovjettijd. Zijn zoon ligt er onder, op een matje. Het is 12 uur in de middag, zandduivels dansen door de woestijn. ,,Kom op, wodka drinken'', beveelt Ferdavz. ,,Bij 50 gram is de Rus in zijn vaderland.''

Ferdavz ziet zichzelf als een uitstekend moslim, want hij eet geen varkensvlees en een paar druppeltjes wodka zal Allah wel door de vingers zien. De oorlog tegen de Talibaan vindt hij een goede zaak. Hoog tijd dat die lieden een toontje lager zingen.

Aan de overkant van de rivier ligt Afghanistan nog steeds onbeweeglijk in het stof. Pas vannacht vaart de pont, het geschut van de Talibaan is op minder dan tien kilometer afstand. Veel nuttigs komen we in dit truckerscafé niet te weten, behalve dat mijn voornaam aan de overkant `kont' betekent. De chauffeurs overleggen onderling hoe ik dan maar moet heten. `Koervan', besluiten ze.

In hotel Tadzjikistan in de Tadzjiekse hoofdstad Doesjanbe – het frontlijnhotel van deze oorlog – hebben we volop nuttige tips gekregen voor deze reis. Van Robert bijvoorbeeld, een Amerikaan die 's nachts grauw en krom van de dysenterie aan onze deur klopte. ,,Help me alsjeblieft'', smeekt hij. Dysenterie kun je in Afghanistan overal van krijgen: van slecht doorgekookte thee, van ongewassen meloenen. Er zijn verder tyfus, cholera, malaria, schorpioenen, slangen, kakkerlakken en ratten. Robert schetst een pikzwart beeld van Afghanistan. Driemaal was hij in de Panjshir-vallei, het ellenlange dal dat bijna doorloopt tot de poorten van Kabul. De Russen noch de Talibaan konden dit dal veroveren. Maar op 9 september stierf de legendarische commandant Ahmed Shah Massoud, `de leeuw van de Panjshir', aan de gevolgen van een aanslag. De Afghaanse Tadzjiek Massoud was het hart van de Noordelijke Alliantie, de coalitie van Tadzjieken, Hazara en Oezbeken die zich tegen de Talibaan verzetten.

Robert zag de internationale pers de afgelopen weken de Panjshir-vallei binnendruppelen, eerst tien, daarna vijftig, toen honderd. ,,De prijzen vliegen omhoog'', zegt hij. ,,Niks is te gek. De Afghaanse gastvrijheid is helemaal weg. Massoud had dit nooit toegestaan.'' Hij klinkt als een wereldreiziger wiens favoriete dorp door de Lonely-Planetreisgids aan rugzaktoeristen is verraden.

Rond zes uur valt de schemering in. We rijden met Ferdavz de pont op. Onze bagage ondraaglijk zwaar: 25 liter water, tien salami's, vijftien blikken zalm, koekjes en koffie. Goud waard aan de overkant, zo is ons verzekerd. ,,Welkom in Afghanistan'', zegt een schim die aan de overkant ons tegemoet loopt. In een tent controleert hij langdurig onze paspoorten. Sinds de moord op Massoud is het vertrouwen in buitenlandse journalisten nogal geslonken. We kunnen een jeep huren naar het stadje Thwatta Paha Udin, voor 150 dollar. ,,Vijftig'', proberen we. De commandant kijkt ons staalhard in de ogen. ,,Honderd.'' Geen beweging. Na een lange stilte stemmen we toe. We hebben geen keus.

,,Welkom in Afghanistan'', klinkt het opnieuw als we tien kilometer door een inktzwarte woestijn hebben gehobbeld. Ditmaal is het de vertegenwoordiger van de Noordelijke Alliantie. Hij neemt onze paspoorten in beslag. Wanneer we ze terugkrijgen? ,,Over een uur, een dag, een jaar. Het is in de handen van Allah'', lacht hij. Door een doolhof van stof en blinde muren rijden we naar ons gasthuis.

,,Oleg, ouwe lul, hoe gaat het?'' Op het erf van het gasthuis zit een Russische televisieploeg van RTR, oude bekende van onze fotograaf Oleg Klimov, alsmede een hopeloos vereenzaamde Japanner. Of haar hoofddoekje hier af mag, vraagt Joelia, onze tolk. ,,Natuurlijk, wij doen hier wat we willen'', brullen de Russen.

Ahmed, de eigenaar van het gasthuis, werpt ze een duistere blik toe. Hij is een devote moslim, bidt zesmaal daags op zijn matje, leren we later. Maar de Russen zingen daar dwars doorheen. ,,V afghanistane, v tsjorni toelipane'' brullen ze door het gebed heen. Het is een lied over Afghanistangangers die in zinken doodskisten naar Moskou worden teruggevlogen tot hun vliegtuig – een `zwarte dood' – door mujahedeenstrijders wordt neergehaald. Twee keer dood. Ahmed laat zich in zijn gebed niet storen, maar ergert zich merkbaar.

Dinsdag

Bij het opstaan loeit de afghanist, de lokale zandstorm. Fijn gruis dringt overal in door. Op straat zien we alleen bovenlichamen lopen; de benen verdwijnen in een witte mist. Thwatta Paha Udin is een spookstadje. We zien twee mannen een groep kalkoenen als krijgsgevangenen voor zich uit drijven. Even verderop staat een rij mannen intens naar een al even onbeweeglijke rij kalkoenen te staren. De kalkoenenmarkt, kennelijk. Het is onduidelijk wie hier wie hypnotiseert. Vier ezels zwoegen onder enorme tenten van hooi voort. Vrouwen in witte burqa's schrijden als geesten door de zandmist. Een jongen loopt als een molenpaard rondjes door een enorme trog mest. Fellini in Afghanistan.

Bij de post van de Noordelijke Alliantie blijken we inmiddels geregistreerd en krijgen we tot onze verrassing onze paspoorten terug. Ook wordt ons een tolk toegewezen, Samialla, de tolk uit de hel. Men stáát erop. Samialla heeft blijkbaar een invloedrijke oom. Op weg naar het front toont hij ons zijn Engelse schoolschrift. `Evacuatie' staat in de eerste kolom, alsmede `arrestatie', `geweer' en `dood'. Samialla is als een garantie in de mist. ,,Liggen hier mijnen?'' vragen we als we van het gebaande pad afslaan en de woestijn inrijden. ,,Yes, yes'', zegt hij enthousiast. ,,Weet je dat zeker?'' ,,Yes, yes'', knikte hij nu nog enthousiaster.

Gelukkig komen we officieren tegen die een soort Russisch spreken. Terug is er communicatie als we met generaal Mohammed Amir vanaf een droge heuvelrug Talibaan-stellingen inspecteren. Veel gebeurt hier vandaag niet. In het legerkamp Gazpapa schrijf ik razendsnel mijn eerste artikel in een tent, nieuwsgierig op de vingers gekeken door het halve regiment. Men grinnikt wat af, zeker als ik de telefoon uitklap. Ha, satelliet, satelliet, roepen de jongens door elkaar heen. De Noord-Afghaanse officieren vertellen in koor dat iedereen uitermate ingenomen is met de Amerikaanse bombardementen op hun landgenoten. Tolk Joelia ziet dat anders. ,,Waarom is jullie Poetin vrienden met Bush?'' zegt een groep soldaten die haar in de hoek drijft. ,,Waarom helpen de Russen de Amerikanen Afghanen te vermoorden?''

We keren terug naar Thwatta Paha Udin. Als bij het avondeten met de Russen de wodka rondgaat is het moppen tappen. Feizal, een Afghaanse tolk die hier ook rondhangt, loopt met een blauw oog rond. Hij heeft gisteren al te zichtbaar wodka gedronken met de Russen en dat mag niet in de `islamitische republiek van Afghanistan'. Er lopen hier meer spionnen rond dan we beseffen.

Woendag

Het front bij Kalakata is een populaire attractie. Eerst met een jeep door de mijnenvelden laveren, dan verder op een schonkig paard. De Talibaan op honderd meter, mujahedeen die met lange haken mijnen ruimen, sporadische schotenwisselingen. Voor honderd dollar wil een commandant ook wel wat schoten afvuren met zijn ingegraven tank. Alles wat een oorlogsjournalist zich kan wensen.

Wij nemen het betreurenswaardige besluit iets origineels te doen. In het dorp Rustak, hoog in de bergen, woont namelijk een oude adviseur van de koning. Een heel wijs man, zegt men. Koning Zahir Shah werd in 1973 afgezet door zijn neef Daoud in naam der vooruitgang. De koning, geen ambitieus type, was toen in Rome. Hij opende zijn Zwitserse bankrekeningen en kocht een villa. Vanuit het dorp Rustan moest zijn adviseur intussen hebben toegezien hoe een serie steeds progressievere presidenten elkaar de keel afsneden, tot de sovjets genoeg kregen van de incompetente Afghaanse vazallen en `Steznatz' het presidentieel paleis in Kabul bestormden. De Russische invasie was een feit.

Ik hoop in Rustan historische bespiegelingen te vinden, weemoed naar een tijd toen Afghanistan nog van de Afghanen was. Dus hobbelen we 's middags in een oude sovjetjeep de bergen in. Aan weerszijden van het zandpad zwoegen zwaarbeladen ezeltjes naar boven, voortgedreven door mannen met tulband. Het zijn kooplieden op hun wekelijkse rondgang van markt tot markt, ze lopen zeven uur van Thwatta Paha Udin naar Rustak. Buitenlanders ziet men zelden in Rustak. Als we bij de jeeps staan te roken, komt een steeds grotere groep grillige mannen en uitdrukkingsloze kinderen op ons aan. ,,Steniging om vier uur'', grappen we nerveus. Dan waden de burgemeester en een ouderling door de menigte. Na een vriendelijk onderhoud slaat de stemming subbiet om. ,,Kom thee drinken'', vraagt een apotheker. ,,Kom bij ons eten'', vraagt een schoenmaker. Iedereen plukt en trekt aan ons. We vluchten het schooltje van Said Bismullah binnen. Het is een voormalig rechter met een rond blote-billengelaat, op het oog tevreden met zijn autoriteit over het kleine volkje. Zonder dertig centimeter baard en een tulband had het een schoolhoofd uit Middelharnis kunnen zijn. Driehonderd meisjes in rieten hutten herhalen wat hun docent ze voorzegt, een onbeschrijflijk geluid. Klas zes zit in een geblindeerde kamer, uit het zicht van de mannen. Waarom de meisjes hier de school mogen bezoeken? ,,Dat moet toch van de Koran?'', zegt Bismullah verbaasd. ,,Van de Talibaan mag het niet. Bij hen noemt iedereen zich zomaar mullah, maar de Koran lezen ze niet.''

Allemaal goed en wel maar we zoeken de adviseur van de koning. Wanneer we bij hem aankloppen blijkt hij op zakenreis naar Feyzabad. Een vergooide middag. Op weg naar beneden barst een hoosbui los. Het zandpad verandert in een zeephelling. De jeep waggelt als een dronken zeeman door de vette leem. De rem werkt op zijn minst gebrekkig, en dat is verontrustend bij afgronden van tweehonderd meter aan weerszijden. Als we bij een scherpe bocht ijzingwekkend traag richting het ravijn schuiven, besluiten we maar verder te lopen. Onze tolk weet een korte weg naar beneden. Die blijkt inderdaad kort, maar ook glad. Terwijl hij als een gazelle over de helling dartelt, schuiven wij soms meters door de modder. De duisternis valt, de regen houdt aan. ,,Weet u dat hier wolven zijn?'', zegt de tolk. Zwijgzaam ploeteren we voort. We ogen als hippies na drie dagen Woodstock. ,,Vorige week zijn hier twee kooplieden doodgeschoten.'' Stilte. ,,Maar gelukkig zijn hier niet veel oude mijnenvelden.''

Donderdag 11 oktober

Tijdens een interview met een oude mullah in een vluchtelingenkamp stopt een jeep met gierende remmen. Een dikke Amerikaan springt eruit. ,,Hi! Kennen deze lui iemand die een Amerikaans voedselpakket uit de lucht heeft zien vallen?'', vraagt hij geagiteerd. Nee, helaas. ,,Oké, bye!'' En hij scheurt weer verder. De onderwerpen worden kennelijk schaars. Gisternacht na terugkeer van onze bergexpeditie, zat Mertli opeens in ons gasthuis. Wij hadden deze Tadzjiekse tolk aan de grens achtergelaten: zijn papieren klopten niet. Nu is hij ons achterna gereisd in een legerhelikopter tjokvol Afghaans geld.

De pers wordt onrustig. Iedereen heeft het standaardcircuit doorlopen: het front, de vluchtelingen, de generaals, de Sharia-rechters, de mullah, de meisjesschool, en het Iraanse hospitaal. Gebeurt er nog iets? In het ziekenhuis ligt een jongen met een stoma – hij speelde bij het front – en een zakenman zonder benen. De dokter is voorbereid op honderden gewonden, zegt hij. De generaal zegt dat hij ,,aanvalt als de tijd rijp is''. Een Russische journalist verwacht er niet veel van: hij werkt aan een interview met lokale experts, die stellen dat de Noordelijke Alliantie sinds de dood van hun aanvoerder Massoud wordt gedomineerd door opiumhandelaars. En die houden niet van oorlog.

De tijd zal het leren. Een nieuwe ploeg Russen is binnengerold met vijftig flessen wodka. Het zal het wachten verlichten.