Op en top beroepstwijfelaar

Michael Boogerd (29) behoort al een jaar of vier tot de betere wielrenners van de wereld. Hij won een klassieker en een paar rittenkoersen, en werd vijfde in de Tour de France. En toch maakte hij weer een nerveuze indruk aan de vooravond van de WK. ,,De benen kunnen meer dan het hoofd.''

Precies een week voor D-Day, de wegwedstrijd van de wereldkampioenschappen in Lissabon, kijkt Michael Boogerd naar de televisiebeelden van Parijs-Tours. Met een schuin oog houdt hij het verloop van de Franse wereldbekerwedstrijd in de gaten. Hij voorspelt een demarrage van Erik Dekker en wordt op zijn wenken bediend. Koersinzicht verloochent zich niet. De ene kopman hoopt op een overwinning van de andere kopman. ,,Ik gun een ander heel veel, daar ben ik heel extreem in.''

Boogerd is een altruïst met romantische trekjes. De sfeer in zijn moderne, Belgische villa beantwoordt aan de verwachtingen. Een zeefdruk van een wielrenner. Een foto van zijn vriendin, voormalig Miss Nederland. Een bruine labrador, verplichte kost voor bijna alle Nederlandse renners. Het beest rent drie uur lang over het parket en verdwijnt telkens in spagaat achter een leunstoel. Boegie is de naam. ,,Hij is net zijn baasje. Die kiest ook altijd de moeilijkste weg.''

Na een ochtendtraining en een middagdutje ligt Boegie de wielrenner languit op een bankstel. Pijpje bier en afstandsbediening binnen handbereik. Hij maakt een ontspannen indruk, maar de schijn bedriegt. Achter de blauwe ogen, de rode wangen en de witte tanden gaat een onzekere sportman schuil. De Haagse tongval is even verraderlijk. Hij is geen bluffer. ,,Ik ben een op en top beroepstwijfelaar.''

De boze buitenwereld blijft zijn grootste vijand. ,,Ik moet altijd opboksen tegen mijn imago. Ik ben een jongen uit de grote stad. Maar wel eentje die harder traint dan de meeste boerenjongens. Ik ben onwijs bezeten. Ik ben ook altijd mezelf gebleven. Oké, ik heb een duur huis en een dure auto. Maar ik laat me niet gek maken. Ik ben nooit van het pad geraakt. Ik weet van mezelf dat ik geen snelle jongen ben. Ik zal mijn afkomst nooit verloochenen. Daarom zal ik ook nooit in een diep gat vallen.''

Zijn prestaties worden onderschat, zegt hij op verongelijkte toon. ,,Ik behoor niet voor niks tot de top tien in de wereld. Er zit maar twee procent tussen winnen en verliezen. Ik haal genoeg bevrediging uit mijn resultaten. Vroeger wilde ik een bevestiging in de kranten. Ik las alles en kon me vreselijk opwinden als mij onrecht werd aangedaan. Nu ben ik niet gefocust op de pers. Die zal mij eerlijk gezegd worst zijn.''

Maar toch. Hij is geen volwassen sportman die boven alle partijen staat. Hij is eerlijk genoeg om zijn kwetsbaarheid te tonen. ,,Er zijn genoeg momenten geweest dat ik het niet meer zag zitten. Vorig jaar zat ik na de Tour geestelijk in een wak. Ik ben net niet overspannen geraakt. Ik kon me letterlijk vastpakken aan de fiets. Ik had even goed in een discotheek kunnen gaan werken. Voor het geld hoef ik niet meer te wielrennen. De schaapjes zijn op het droge.''

Nog steeds vertoont hij tekenen van zwakte. De term midlifecrisis valt. Hoe kan een blakende sportman zo nerveus en achterdochtig zijn? Hij heeft zijn spontaniteit verloren. ,,Het laatste jaar geniet ik minder van het wielrennen. Ik rijd niet meer voor de lol, meer voor het geld. Alles gaat op de automatische piloot. Vroeger was ik trots, wanneer ik een paar uur per dag op mijn bed had gerust. Nu voel ik die overwinning op mezelf niet meer. Het is een kwestie van ouder worden. Een normaal proces. Alleen kan ik niet met het proces omgaan. Ik mis de totale rust in mijn hoofd. Gelukkig ben ik goed blijven presteren. De benen kunnen meer dan het hoofd.''

De beste klimmer van Nederland is hij al jaren. De beste wielrenner was hij tot de metamorfose van Dekker. De rolverdeling in de ploeg is anders geworden. Boogerd verdient een veelvoud van het salaris dat Dekker op zijn rekening krijgt gestort. Op het sportieve vlak zijn ze elkaars gelijke. Ze delen het kopmanschap, maar ze rijden elkaar niet in de wielen. Boogerd is vol lof over Dekker. Hij noemt hem ,,misschien wel de beste renner ter wereld''.

Boogerd heeft ,,geen reden jaloers te zijn'' op de prestaties van Dekker. ,,Ik blijf de populairste renner'', zegt hij stellig. ,,Ik zal me ooit verstoppen in de koers. Ligt niet in mijn aard. Ik wil het publiek een mooie dag bezorgen. Ik toon meer mijn emoties dan Dekker. Toch wordt hij steeds losser in de omgang. Aan tafel heeft hij tegenwoordig het hoogste woord. Ik ben juist stiller geworden. Ik was vorig jaar niet aardig voor mijn ploeggenoten. De verhoudingen zijn weer rechtgetrokken.''

De verschillen tussen Boogerd en Dekker zijn groter dan de overeenkomsten. Boogerd babbelt en Dekker stottert. Boogerd is een man van de wereld. Dekker houdt de uitstraling van een Drentse polderjongen. Boogerd kent alle uitslagen uit een grijs wielerverleden uit zijn hoofd. Dekker is bepaald geen wandelende encyclopedie.

Boogerd noemt zichzelf ,,meer een liefhebber'' dan Dekker. Hij is ook meer een ijdeltuit die goed gesoigneerd aan de start wil staan. ,,Ik kan uren lopen piekeren welke kleren ik naar de WK meeneem. Ik loop niet graag voor lul. Noem het voor mijn part `beroepsernst'. Ik wil geen modderfiguur slaan. Ik heb een bepaalde uitstraling op de fiets. Vieze sokken pleur ik meteen weg. Ik kan me al ergeren als een renner een lelijk zadel op zijn fiets heeft zitten.''

Zijn ijdelheid komt ook tot uiting in zijn lichaamsgewicht. Zijn ranke postuur maakt hem minder geschikt voor de eendaagse wedstrijden. Op advies van oud-ploeggenoot Rolf Sörensen ging hij vanaf 1997 vaker op de weegschaal staan. Hij raakte geobsedeerd door zijn ribbenkast. Hij begreep dat elke kilo er één te veel kon zijn, in het hooggebergte althans. Hij leed naar eigen zeggen bijna aan anorexia. Hij heeft zijn leven gebeterd, maar een toonbeeld van oerkracht zal hij nooit worden.

,,Toen ik in Barcelona samen met Phillip Cocu op het strand lag, vielen de schellen uit zijn ogen. Hij was stomverbaasd dat ik met zo'n iel lichaam zulke goede prestaties kon leveren. Voetballers zijn veel sterker gebouwd. En toch is wielrennen een zwaardere sport. Laatst vertelde ik aan Cocu dat ik op een dag 290 kilometer had getraind. Hij wist niet wat hij hoorde. Een voetballer traint anderhalf uur per dag. Basta.''

Hoe kun je in godsnaam met zo'n kleine motor, in de brandende zon en in een moordend tempo, over vijf Alpencols rijden? De vraag is vaker gesteld. Het antwoord is voorspelbaar. Een wielrenner rijdt een bergetappe niet op een boterham met pindakaas. EPO was het toverwoord in de jaren negentig. Inmiddels zijn nieuwe middelen op de markt verschenen die het lichaam van een topsporter aanzienlijk sterker zouden maken. Doping is een taboe. Een wielrenner praat over `jezelf goed verzorgen'. Boogerd geeft hoorcollege.

,,Een overwinning zit niet in een potje. Daar ga je geen streep harder van rijden. Wat iedereen ook durft te beweren. Ik heb een schoon geweten. Ik heb niets te verdedigen. Zolang ik niet op doping ben betrapt, heb ik aan jou niks uit te leggen.

,,Suikers en vitamines zijn onschuldig. Iedereen denkt dat wij na een zware bergetappe massaal aan het infuus liggen. Onzin! Alles wat toegestaan is, kun je gerust nemen. Als je niet genoeg eet en drinkt, kun je beter meteen in het vliegtuig stappen. In de bergen kun je door het vochtverlies bijna niks naar binnen krijgen. Dus moet je die tekorten 's avonds aanzuiveren. Je gezondheid moet bien zijn.''

We praten over schaatsers en voetballers die tegenwoordig ook in verband worden gebracht met verboden middelen. In de publieke opinie krijgen zij het voordeel van de twijfel. Wielrenners zitten van oudsher in het verdomhoekje. Boogerd kent de oorzaak. ,,Onze sport heeft een dopingverleden.'' Vervolgens laat hij zijn frustraties de vrije loop. Hij wil ,,niet overkomen als een zeikerd'', maar ,,het meten met twee maten'' moet maar eens afgelopen zijn.

,,Schaatsers zijn uit de klei getrokken Friezen met een leuk blosje op de wangen. Ze rijden een WK met twee koeien en een kip op de tribune. Als zij een spray gebruiken tegen astma, hoor je daar niemand over. Maar als Jan Ullrich een puffer pakt, zit hij meteen in de beklaagdenbank. Nog een voorbeeldje: toen bij Marianne Timmer een te hoge hematocrietwaarde was geconstateerd, zou de apparatuur niet betrouwbaar zijn geweest. Dekker overkomt precies hetzelfde. Hij was de kwaaie pier. Ik kon wel janken op dat moment.''

Hij heeft respect voor de wijze waarop Dekker na het incident in 1999 heeft gereageerd. ,,Hij bleef heel rustig en ging geen gekke dingen roepen. Mijn wereld zou zijn ingestort. Ik zou meteen een ticket naar een zonnig land boeken en een paar maanden wegblijven. Ik ben minder laconiek. Ik zou die sores nooit van me kunnen afzetten.''

Boogerd krijgt lichamelijke, maar vooral psychologische hulp van zijn ploegarts Geert Leinders. Deze Belgische dokter is zijn vertrouwensman. ,,Alles wat hij zegt, neem ik voor de waarheid aan. Hij is voor mij belangrijker dan de ploegleiders. Hij geeft rust en vertrouwen. Mijn buurman kan precies dezelfde adviezen geven, maar van hem neem ik ze minder gauw aan. Als Geert weggaat bij de ploeg, heb ik beslist minder zin om te blijven.''

Hij ontmoette Leinders in 1995, toen de ploeg van Rabobank in de steigers stond. In de voorgaande jaren was hij onder leiding van ploegleider Jan Raas ,,helemaal op mezelf aangewezen''. Hij kwam net kijken bij de profs en reed rond ,,als een ongeleid projectiel''.

Boogerd herinnert zich de mentale steun die hij na twee mislukte Tours van Leinders kreeg. ,,Hij zat de volgende morgen bij mij thuis op het bankie. Hij heeft me verzekerd dat ik nooit het hele jaar goed kan zijn. Ik moet me optrekken aan mijn goede resultaten. Hij vertelt me welke koersen ik moet rijden en waarom. Ik laat me door hem behandelen als een junior. Misschien word ik wel nooit volwassen. Maakt niet uit. Ik hoef me niet te schamen voor mijn erelijst. Daar draait het allemaal om. De rest is bijzaak.''