NIET DE SCHOOL MAAR DE OMGEVING

Volgens hoogleraar onderwijs- en jeugdbeleid Dolf van Veen heeft school niet zo'n grote invloed op de leerprestaties van kinderen. `Scholen afrekenen op het leerresultaat van leerlingen is een heikele zaak.' Een monoloog.

De lijst van zijn publicaties en functies is lang. Maar alle staan ze in verband met de mogelijkheden van onderwijs om te voorkomen dat kinderen tussen wal en schip vallen. Dolf van Veen (45) is bijzonder hoogleraar grootstedelijk onderwijs- en jeugdbeleid aan de Universiteit van Nottingham in Engeland. En in Nederland is hij hoofd van het Landelijk Centrum Onderwijs & Jeugdzorg. Verder is hij voorzitter van de Onderzoeksgroep Urban Education & Youth at Risk van de European Educational Research Association en doet hij onderzoek naar schooluitval en versterking van de leerlingenzorg voor een groot aantal scholen, gemeenten en provincies.

Op een recente conferentie over achterstandsbestrijding (met de eufemistische naam `Onderwijskansenfestival') sloeg Dolf van Veen de deelnemers met pijnlijke feiten om de oren. De invloed van scholen op de uiteindelijke leerprestaties is gering. Veel programma's die achterstanden bestrijden hebben nauwelijks effect. In Nederland is een groot gebrek aan samenwerking tussen alle instanties. En: het bestrijden van achterstanden is niet hetzelfde als het stimuleren van ontwikkelingskansen. Een van de deelnemers verzuchtte toen: `Waar doen we het allemaal dan voor?'

Een paar maanden na de bewuste conferentie geeft Dolf van Veen thuis een toelichting, in een karakteristiek hoog tempo. ``We weten maar weinig over hoe leerachterstanden op te heffen zijn in de praktijk van het onderwijs. Er zijn een hoop `veelbelovende praktijken', maar er is in Nederland weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan naar het effect van die programma's. En àls er een programma wordt onderzocht, zijn de resultaten niet hoopgevend.''

En, zo gaat Van Veen verder: ``Uit onderzoek blijkt dat de factoren die van invloed zijn op de leerprestaties gemiddeld maar voor vijftien procent kunnen worden toegeschreven aan de school. Van groot belang zijn aanleg en het buitenschools milieu zoals het gezin, de sportclub, vriendjes en vriendinnetjes en andere naschoolse activiteiten. Recent onderzoek van Honig, Kahne & McLaughlin en ook van mijzelf demonstreert dit glashelder. Onze ideeën over wàt leren is en waar dat gebeurt, moeten aangepast worden. De impact van het leren in een buitenschoolse omgeving is groot.''

paraprofessionals

Van Veen zegt dat recent onderzoek uitwijst dat het klassen- en schoolklimaat van groot belang zijn om herbergzame scholen te creëren waar orde, veiligheid en regelmaat heersen. ``Er moeten veel volwassenen op school zijn die die sfeer en het pedagogisch handelen in stand houden. En dat kunnen ook zogeheten paraprofessionals of ouders zijn. En als aan deze voorwaarden is voldaan, worden vaak betere resultaten geboekt. Het klinkt heel logisch maar raar genoeg wordt zoiets simpels vaak vergeten.

``Hoewel het onderwijssysteem in Nederland verschilt met het Amerikaanse systeem mogen we wel aannemen dat deze conclusies ook hier van toepassing zijn. Daarbij moet ik wel de kanttekening plaatsen dat we op dit moment overgaan naar een wezenlijk andere situatie. De afgelopen jaren zijn steeds meer moeders gaan werken en daardoor is het naschoolse milieu aanzienlijk veranderd. Er is altijd aangenomen dat het hoge niveau van de Nederlandse leerlingen voor een deel samenhangt met het feit dat veel moeders thuis zijn wanneer de kinderen uit school komen en de schooldag verlengen door onderwijsondersteunend gedrag. Helaas is de naschoolse opvang in Nederland qua omvang en kwaliteit nog niet voldoende om dat te compenseren. In bijvoorbeeld Zweden, Denemarken en de Verenigde Staten bestaat al een langere traditie op dit gebied.''

Van der Veen wil werkende moeders en vaders niet terug naar het aanrecht sturen, integendeel. ``Maar door het gebrek aan goede opvang, ontwikkelingsstimulering en aansluiting op het onderwijs lopen we wel het risico dat het gemiddelde prestatieniveau naar beneden gaat. Daar kunnen scholen natuurlijk zelf ook iets aan doen. Niet in de enge zin als onderwijsgevenden maar ook als opvoeders. Er zal meer samenhang moeten komen tussen scholen en de omgeving van de kinderen. Ook de kwaliteit van de naschoolse en tussenschoolse opvang is van invloed op de school en de prestaties van leerlingen.'' Dat pleit voor de brede school. Brede scholen of vensterscholen zoals ze in Groningen heten, werken samen met welzijn, sport en cultuur. En dat gaat op tal van plaatsen heel aardig. Maar ook daar staat, aldus van Veen, de aandacht voor specifieke leerproblemen en psychosociale problemen van kinderen nog in de kinderschoenen. ``Het lijkt om een typisch Nederlands probleem in de verzorgingsstructuur van het Nederlandse onderwijs te gaan: de projectencultuur en het gebrek aan samenwerking tussen alle instanties. Het Centrum Onderwijs & Jeugdzorg is opgericht om de jeugdzorg dichter bij de scholen te brengen. Scholen verwijzen naar anonieme instellingen, soms in een andere buurt of gemeente waar kinderen en gezinnen vaak niet aankomen. Of ze worden geconfronteerd met wachttijden of een intake-gesprek waar een luisterend oor wordt verwacht. Het kan daardoor maanden duren voordat er iets gebeurt. Als er al iets gebeurt. Intussen worstelt een school met zo'n leerling en stapelen de problemen zich op. Terwijl juist voortijdig ingrijpen een heleboel kan voorkomen.''

Een veel voorkomend probleem bij ouders blijken oplopende schulden te zijn, zegt Van Veen. Dat heeft zijn weerslag op de kinderen, maar daar wordt nu niets aan gedaan. ``Je moet de probleem in een gezin integraal aanpakken. Maar iedere instantie heeft zijn eigen loket, zijn eigen werkgebied en zijn eigen procedures. Kinderen, ouders en scholen raken het spoor bijster.'' Daar komt bij dat de hulpverlenende instanties te ver van school afstaan. ``Alle ondersteuning is extern. In landen als bijvoorbeeld de Verenigde Staten, Canada en Rusland heeft iedere school zijn eigen maatschappelijk werker en schoolpsycholoog die de kinderen en hun gezinnen kennen. Op Nederlandse scholen hebben we de interne zorgcoördinator, maar helaas is het de praktijk dat deze vaak wordt ingezet als leerkracht voor de klas bij gebrek aan andere leerkrachten.'' Waar het om gaat, zegt Van Veen, is dat de kwaliteit van de leerlingenzorg omhoog gaat. De diagnose van een kind met een probleem moet meteen goed gesteld worden. ``Nu zitten de mensen met de meeste kennis achter in de lijn omdat zij het duurst zijn. Daar kom je pas als de problemen geëscaleerd zijn. Psychiaters of pedagogen moeten veel eerder een kind zien. En daar moet de school bij betrokken worden. Scholen horen vaak niets meer als een kind verwezen is. Dan gaat zo'n kind een ander circuit in.''

In het licht van al deze ontwikkelingen is het volgens Van Veen onjuist om scholen af te rekenen op de leerresultaten van kinderen zoals in het Nederlandse overheidsbeleid cenraal staat. Dat is een overschatting van de rol van het onderwijs. ``Natuurlijk doen scholen ertoe, zeker voor kansarme kinderen. Een goede mix van ontwikkelingsstimulering en versterking van de instructiekwaliteit van het onderwijs zijn noodzakelijk.''

gewichtenregeling

In Nederland zijn we verzeild geraakt in een wirwar van regelingen en programma's die achterstanden moeten opheffen, zegt Van Veen. ``Maar het werkt niet. Zo functioneert al lange tijd de zogeheten gewichtenregeling. Voor kinderen van ouders met een lage opleiding en afkomstig uit bijvoorbeeld Marokko of Turkije wordt door de overheid bijna twee keer zoveel geld gegeven als voor een leerling met hoog opgeleide, blanke ouders. Al die regelingen en programma's moeten misschien wel op de helling. Je moet niet naar de afkomst van de kinderen kijken, maar naar hun behoeften aan ontwikkeling en naar hun maatschappelijke kansen. ``Dat is een geheel andere benadering. En dan zullen we erachter komen dat er nog een wereld te winnen valt: dat geldt voor beter omgaan met verschillen tussen leerlingen, voor de toepassing van verschillende methodes en voor een vakbekwame benadering van leer-, gedrags-, en ontwikkelingsproblemen.''

Van onderwijsvernieuwingsbewegingen alleen zullen de veranderingen niet komen. ``Van der Vee: ``We zijn aan het eind gekomen van de mogelijkheden van onderwijs op zichzelf en de school als een op zich zelf staande organisatie. En laat alsjeblieft niet wetenschappers en pedagogische centra de oplossingen bedenken. Die bouwen modellen zonder de draagkracht en draaglast van het onderwijs een goede plek te geven. De veranderingen zullen moeten komen van de scholen en van ouders die betere ondersteuning eisen. Het gaat nu om de randvoorwaarden. De inzet en samenwerking van externe instellingen moet dienstbaar worden aan ouders, kinderen en scholen.''

M.I. Honig, J. Kahne, & M.W. McLaughlin, School-community connections: Strengthening opportunity to learn and opportunity to teach. In V. Richardson (ed.) Handbook of research on teaching (4th Ed.) AERA, Washington, DC 2001

H.J. Freiberg, Beyond behaviorism. Changing the classroom management paradigm. Allyn and Bacon, Boston 1999

A.F.D. van Veen, Leading cities in educational renewal. Garant Publishers 2001, Leuven/Apeldoorn.