Naipauls kinderen

Een vriendelijke provocatie: een aantal jaren geleden logeerde ik in Calcutta bij een jonge Indiase schrijver en na ieder etentje met vrienden of kennissen beweerden we steevast dat V.S. Naipaul de Nobelprijs voor literatuur zou moeten krijgen. Dat viel nergens in goede aarde, want een intellectueel in Calcutta was in die tijd ook meteen een hele of halve Marxist en in hun ogen was Naipaul de verwesterde overloper, die zijn land van herkomst, India, op een onvergeeflijke manier had bekritiseerd. Woedend waren ze geweest, na lezing van zijn bittere reisverslag over zijn eerste bezoek aan hun land, An Area of Darkness, ze voelden zich persoonlijk door hem gekwetst. Naipaul had de troostvolle mythen over een spiritueel, zelfbewust India met een hooghartig gebaar opzijgeschoven en de misère van het land benadrukt een misère die bovendien volgens hem direct voortkwam uit die Indiase onwil om de harde werkelijkheid onder ogen te zien. Dat ik, een westerse gast, pleitte voor de Nobelprijs voor Naipaul, was dan ook niet minder dan een staaltje van post-koloniale arrogantie kom, we moesten maar eens gaan. Op het moment dat stemming bedorven leek, viel mijn Indiase vriend me bij: was er een boek dat in hun jonge jaren meer indruk op hen gemaakt had, was er een oeuvre dat hen zo tot tegenspraak had geprikkeld, hen zo stevig gedwongen had na te denken wat India was, wat zijzelf eigenlijk waren? Moest iemand die zoveel gedachten en emoties losmaakte daarvoor ook niet beloond worden? Ik mocht het afmaken: had Nederland maar een schrijver als Naipaul, zei ik zuchtend. Was er in Nederland maar een schrijver die de eigen cultuur aan zo'n scherpe blik onderwierp, zonder te vervallen in cynisme.

Alleen de meest verstokte Marxist bleek tegen zulk enthousiasme bestand.

Dat Naipaul nu eindelijk de Nobelprijs zal ontvangen, geeft al aan dat zijn schrijverschap tegenwoordig een stuk minder controversieel is. Ongetwijfeld komt dat omdat hij de laatste jaren milder en persoonlijker is geworden. Maar meer nog omdat zijn blik op de wereld inmiddels ook onze blik is: de westerse neiging tot politieke correctheid met betrekking tot de postkoloniale wereld, is even schadelijk gebleken als de geruststellende fantasieën waarmee de Indiërs hun werkelijkheid ontliepen. Het tijdperk van de goede bedoelingen is voorbij. Er is minder en minder geduld met het opgeklopte gevoel van eigenwaarde dat in voormalige gekoloniseerde landen het oplossen van werkelijke problemen in de weg zit, en ook minder begrip voor de neiging van de bewoners in die landen om zichzelf als permanente slachtoffers van hun voormalige uitbuiters te zien. Niet langer worden andere culturen benaderd met schroomvolle tred van de boeteling. Dat de postkoloniale landen over rijke culturele tradities beschikken die niet onderdoen voor de westerse, het zal allemaal best, maar hoe zit het eigenlijk met de infrastructuur?

Dat was ook het bezwaar van mijn Indiase vriend tegen de zogenaamde Naipauliaanse blik van veel westerlingen die zijn land en andere in dezelfde regio bezochten. Naipauls boeken hadden hem over zichzelf aan het denken gezet, maar veel westerse lezers waren plotseling ook over hem gaan denken. Ze hadden hun koffers nog niet uitgepakt of ze vroegen op hoge toon hoe het eigenlijk zat met de rechten van homo's; reeds eeuwen traag voortploegende boeren op het platteland werd verstaan gegeven dat ze echt iets aan hun hopeloos achterhaalde irrigatiesystemen moesten doen, en een beetje snel. Een volledig ingepakte vrouw was niet langer een uitheems en exotisch wezen, maar een slachtoffer van patriarchale onderdrukking. En dan hadden ze het nog niet eens over het kastensysteem gehad.

Alles mag gezegd worden. Na de aanslagen op New York en Washington is duidelijk geworden hoe groot de misverstanden tussen culturen zijn, ook binnen Nederland. Islamieten in Nederland wordt dringend verzocht verantwoording af te leggen, over de aanslagen, over de islam, over zichzelf. Ze zijn ineens geen Nederlanders meer. De irritaties over sociaal onaangepast allochtoon gedrag blijken ineens fundamenteel; de aloude politiek correcte weg-met-ons mentaliteit blijkt gevaarlijk gemakkelijk vervangbaar door een weg-met-hen houding. Er is iets mis met de islam schreeuwt de voorpagina van HP/de Tijd. Binnenin wordt door middel van schaamteloos impressionistisch denken aangetoond dat er iets fundamenteel mis is met het islamitische geloof, zo erg dat het eigenlijk verboden zou moeten worden. De profeet Mohammed wordt op even hoge toon aangesproken als een Marokkaanse straatjongen die de sfeer in het Sloterparkbad verziekt.

Die toon lijkt nu algemeen aanvaard. Met bezadigde zelfgenoegzaamheid wordt door zelfbenoemde cultuurcritici keer op keer vastgesteld dat de islamitische cultuur lang geleden weliswaar behoorlijke superieur aan het Westen was, maar nu al weer eeuwen hopeloos in het slop zit – vandaar Osama bin Laden. Inmiddels vind ik die ferme houding even onverdraaglijk als het klassieke ontwijkgedrag van veel Nederlandse islamieten en hun politiek correcte vertegenwoordigers, die zich een toon van permanente verongelijktheid hebben aangemeten en met iedereen in discussie willen treden, behalve met zichzelf. Tegenover de oudlinkse, naïeve idee van een gemoedelijke multiculturele samenleving staat nu de culturele onverzoenlijkheid van de mannetjesputters van de westerse superioriteit.

Het is Naipaul die dit gespleten landschap voor het eerst in kaart heeft gebracht; en al in een tijd waarin maar weinig mensen konden vermoeden dat het ons eigen landschap zou worden, dat de botsingen van mentaliteiten en culturen bij ons in de straat zouden plaatsvinden. Langzaam maar zeker heeft de thematiek van Naipauls oeuvre, over de pijn en woede van het marginaal zijn, zich verschoven van de periferie van ons blikveld naar de voorgrond. Je kunt zeggen dat we allemaal Naipauls kinderen zijn geworden. Zijn werk maakt een einde aan het beschermende zelfbedrog van de migrant en dwingt hem op een nietsontziende manier zijn eigen leven en achtergrond onder de loep te nemen. Tegelijk maakt het ook de pijn voelbaar van het ontheemd zijn en de onmogelijkheid van een volledige integratie in een wezensvreemde cultuur. Als geen andere schrijver heeft Naipaul laten zien hoe gevoelens van onmacht, miskenning en sociale afgunst tot fanatisme en destructie kunnen leiden; maar net zo heeft hij altijd een scherp oog gehad voor de stuitende ongevoeligheid voor andere levens van mensen die zich verankerd weten in hun eigen cultuur. Er is niets naïefs aan dit schrijverschap, maar het is ook nergens ongevoelig. Die eerste eigenschap hebben we ons inmiddels eigengemaakt. Nu de tweede nog.