Nachtonrust

Snurkers jagen echtgenoten het bed uit met hun lawaai en kunnen er zelf hoofdpijn in de vroege morgen en toegenomen slaperigheid overdag aan overhouden. Ongeveer 3% van de Amerikaanse mannen tussen de veertig en zestig snurkt en men kan aannemen dat voor Europese mannen hetzelfde geldt. Vooral dikke personen hebben last van de kwaal, maar het syndroom wordt tegenwoordig steeds vaker geconstateerd bij mannen zonder overgewicht en zelfs bij vrouwen.

In vaktermen noemt men snurken slaapapneu (SA). Het snurkgeluid ontstaat, dikwijls in de diepere slaapstadia, doordat de tong de luchtweg blokkeert. De luchtstroom door de neus en mond wordt dan geremd, waardoor een zogeheten apneu optreedt en de persoon uiteindelijk met een luide snurk wakker wordt. Bij de gemiddelde SA-patiënt duren die apneus 20-60 seconden en komen ze 200-600 keer per nacht voor.

Diverse onderzoeken geven aan dat bij chronische snurkers de vorm van het hoofd een rol speelt. Mensen met een grote gelaatsholte, een lage positie van het tongbeen en een nauwe keelholte zouden vaker snurken. Verder worden factoren genoemd als een enigszins vergrote tong, een scheef neustussenschot en vergrote tonsillen. De persoon in kwestie is er dikwijls een van het Pickwick-type, genoemd naar de extreem dikke jongeman uit het boek The Pickwick Papers van Charles Dickens, die geweldig snurkte en een welhaast oncontroleerbare neiging tot slapen had. Naast de zwaarlijvigheid hebben deze mensen vaak een korte nek en stevige kauwspieren.

Gelukkig krijgen slaapapneu en daarmee het snurkgeluid in het wetenschappelijk onderzoek steeds meer aandacht. Laboratoriumtesten blijken nodig om de oorzaak van de aandoening vast te stellen. Een belangrijk hulpmiddel is daarbij een, in een slaaplaboratorium, vervaardigd polysomnogram.

Mensen met snurkklachten worden gevraagd een nacht te verblijven in een dergelijk laboratorium. Tijdens de slaap meten laboranten dan hersenactiviteit, de oogbewegingen (in verband met de bepaling van het slaapstadium), de kauwspieractiviteit en de luchtstroom door neus en mond. Tevens worden hun snurkgeluiden vastgelegd op een geluidsband en wordt de slaaphouding gefilmd. Al die gegevens samen leveren informatie op over aantal en duur van de apneus en de slaap- en waakstadia. Als op basis hiervan de diagnose SA met zekerheid is gesteld kunnen artsen en tandartsen aan het werk. Patiënten kunnen aanwijzingen krijgen hun slaaphouding te veranderen of om af te vallen. Dat helpt soms. Verder zijn er medicijnen en zijn chirurgische ingrepen mogelijk.

Tandheelkundige behandeling door het plaatsen van een intra-oraal apparaat, in feite een soort activator of beugel zoals kinderen die dragen wanneer hun gebit wordt gereguleerd blijkt eveneens een mogelijkheid. Uit een recent gepubliceerde samenvatting van een Amerikaans artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde blijkt dat patiënten deze apparaten steeds vaker gebruiken, omdat deze behandeling weinig bijwerkingen kent, niet erg belastend is voor de patiënt en relatief goedkoop is. Deze beugels houden de onderkaak 's nachts in een voorwaartse positie, waardoor de luchtweg naar de keel wordt verruimd.

Voor het eerst zijn de effecten van de beugels nu onderzocht, twee jaar na plaatsing, bij 32 proefpersonen (9 vrouwen). Bij allen werd een activator aangemeten. Daarna werden zij uitvoerig geïnstrueerd over het gebruik ervan. Het resultaat was zeer positief. Het bleek dat vrijwel alle personen vrij gemakkelijk aan het apparaat konden wennen en dat zij gemotiveerd bleven om het iedere nacht te gebruiken. Sommigen klaagden in het begin over gevoelige tanden en stijve kaken. Bij negen van de achttien patiënten met veelvuldige hoofdpijnklachten werd een duidelijke vermindering ervan aangetoond. De auteurs concludeerden dat het gebruik van de apparatuur niet schadelijk lijkt te zijn voor het kaakgewricht.

Het begint er op te lijken dat chronische snurkers geholpen kunnen worden. De kennis uit het tandheelkundig onderzoek blijkt daarbij waardevol. Als gekozen wordt voor het aanbrengen van de apparatuur, dat vooral het werk van de tandarts is, blijft echter de eindverantwoordelijkheid voor de behandeling toch liggen in de handen van de arts. De afwijking heeft immers diverse oorzaken, die buiten het terrein van de tandarts liggen. Vaststaat verder dat deze personen regelmatig onder controle moeten blijven, waarbij meerdere polysomnografische registraties nodig kunnen blijken.

Met dank aan dr. F. Lobbezoo, ACTA, Amsterdam en F.de Vries, Centrum voor Bijzondere Tandheelkunde, KU Nijmegen.