In eigen boezem

Terwijl de Britse premier Blair en de belangrijkste Amerikaanse ministers de wereld bereizen, verblijven de meeste Nederlandse politici aan het Binnenhof. Ze praten daar met de regering over de Amerikaanse aanpak van Osama bin Laden en de gevolgen voor Nederland van artikel 5 van het NAVO-verdrag. Dat is nuttig en noodzakelijk. Nederland is niet alleen in goede, maar ook in slechte tijden lid van het bondgenootschap. Sinds de terroristische aanslagen in de VS is duidelijker geworden dat de Nederlandse deelname aan de alliantie niet vrijblijvend is.

Er bestaat tussen regering en parlement een ongekende consensus: 145 van de 150 Kamerleden zijn solidair met de Amerikaans-Britse operatie Enduring Freedom. Dat ligt voor de hand. Hoewel niemand kan garanderen dat de militaire acties succesvol kunnen worden afgerond en evenmin dat ze het enige antwoord zijn op terrorisme, zijn er geen serieuze alternatieven voorhanden.

Desondanks roepen de Kamerdebatten tot nu toe ook een minder eenduidig gevoel op. Weliswaar heeft premier Kok via CNN vernomen dat de luchtaanvallen op Afghanistan waren begonnen en liet hij zich daarna door de publieke omroep interviewen. De meeste fractieleiders en buitenlandwoordvoerders wekken desondanks de indruk dat ze greep hebben op de ontwikkelingen. Er wordt van gedachten gewisseld over scenario's en strategieën, alsof de Amerikaanse Senaat aan het Binnenhof resideert. Nog niemand heeft het aangedurfd enige verwarring in eigen boezem toe te geven. Zelfs fractieleider Rosenmöller van GroenLinks doet alsof hij ongestoord aan de knoppen zit, hoewel met het blote oog zichtbaar is dat zijn partij zich geen raad weet met de nieuwe situatie.

Op zichzelf is dat begrijpelijk. Ware het niet dat er sinds 11 september ook in Nederland iets aan de hand is. In de buitenlandse pers is Nederland afgelopen maand, conform zijn gewicht, grotendeels over het hoofd gezien. Maar één krant, de International Herald Tribune, heeft wel tweemaal vanaf de voorpagina aandacht aan Nederland besteed: beide keren als hét voorbeeld in Europa waar de maatschappelijke verhoudingen na 11 september het meest onverwachts en openlijk onder druk zijn komen te staan. Weliswaar wordt er niet openlijk gepleit voor een verbod van de islam dat zou in strijd zijn met de Grondwet en is alleen al daarom een heilloze weg maar de golven gaan hoog. In de eerste weken na de terroristische aanslagen was er niet alleen sprake van juichende straatjeugd in Ede, maar ook van (pogingen tot) brandstichting op moskeeën en islamitische instellingen. Volgens de krant polariseert een land dat juist bekend staat om zijn spreekwoordelijke tolerantie.

Talloze volksvertegenwoordigers zijn zich daarvan bewust. Ze roepen om dialoog en een enkeling voegt de daad bij het woord. Dat is nuttig, maar onvoldoende. Er staat veel op het spel. Het begrip `multiculturele samenleving' mag een uitgewoond cliché zijn, dat vooral als bezweringsformule wordt gebruikt om de andere kant op te kunnen kijken, het is een feit dat Nederland geen monocultuur is noch kan worden. De burgerlijke democratie kan zich daarom alleen beschermen als ze deze realiteit erkent.

Wie niet wil buigen voor religieus geïnspireerd fanatisme en terrorisme, heeft de plicht de (normatieve) uitgangspunten van dit beproefde bestel actief uit te dragen. Premier Blair heeft daartoe in het Lagerhuis een poging gedaan. De Tweede Kamer daarentegen is nog amper een podium geweest voor vergelijkbare politieke credo's.

Natuurlijk laten de maatschappelijke verhoudingen zich niet met een druk op de knop in Den Haag herstellen of ten goede keren. Dat neemt echter niet weg dat de meningsvorming over intenties en beleid niet mag worden overgelaten aan zaaltjes in het land. Want parlement en regering ontlenen hun mandaat in de eerste en de laatste plaats aan de kiezers. Dat schept de verplichting om de internationale en ook de nationale verhoudingen in Nederland zelf op het Binnenhof aan de orde te stellen.