Geen ruimte voor revolutie

De Vinex-wijken zijn de grootste bouwopgave in Nederland sinds de Wederopbouw en misschien wel de laatste waarin de overheid een belangrijke rol speelt. De reputatie van de Vinex-wijken is slecht. Hoe terecht is dit?

,,Nou nee'', soms ,,liever niet'', oplopend tot ,,desnoods'' of ,,over m'n lijk''. Zulke antwoorden krijg je vaak als je vraagt of iemand in een Vinex-wijk zou willen wonen. Het is opmerkelijk hoe negatief het oordeel is over de grootste operatie in de volkshuisvesting sinds de Wederopbouw. In de paar jaar tijd dat het begrip bestaat is `Vinex' voor velen synoniem geworden met `saaie nieuwbouwwijk aan de rand van de stad'.

Hoe komt dat? Is het terecht? Wat vindt Homo Vinex er zelf van?

Maar eerst: wat was Vinex ook alweer precies? Begin jaren negentig verscheen de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening, die bepaalde dat er tussen 1995 en 2005 zo'n 750.000 woningen moesten worden gebouwd. `Ex'tra was de bijlage bij die nota, waarin de locaties stonden aangegeven. Die werden gekozen op basis van de nobele overtuiging dat de open ruimte in Nederland, die toch al onder druk staat, niet moest worden overspoeld door een huizenzee. De Vinex-wijken moesten dichtbij de bestaande steden komen, dat zou voorkomen dat de mobiliteit nog verder toenam. Bovendien moesten de Vinex-wijken `compact' worden: de bebouwing zou er dichter worden dan in de voorgaande generaties buitenwijken.

Het is anders gelopen.

Dat neemt niet weg dat deze grote daad in de volkshuisvesting – misschien wel de laatste van de terugtredende overheid – het aanzien van Nederland ingrijpend aan het veranderen is. Daarom hebben halverwege het Vinex-traject NRC Handelsblad en het Rijksmuseum voor hun fotoproject Document Nederland fotograaf Bart Sorgedrager uitgenodigd om zich te verdiepen in Leidsche Rijn. Deze wijk die ten westen van Utrecht ligt, wordt de grootste Vinex-locatie van Nederland, met uiteindelijk tachtigduizend nieuwe bewoners. Bart Sorgedrager heeft zes huishoudens gevolgd voor, tijdens en na hun verhuizing naar zes verschillende huizentypes – villa's in makelaarstaal – in de wijk Langerak II, waarvan de bouw medio 1999 is begonnen. Door middel van portretten en reportages onderzoekt hij niet alleen wat Leidsche Rijn voor de nieuwe bewoners zelf betekent, maar brengt hij ook Nederland aan het begin van het nieuwe millennium in beeld.

Leidsche Rijn is geen rivier, maar een prozaïsch negentiende-eeuws kanaal. Als je hier nog ergens de romantiek van het verleden kunt vinden, is dat vooral aan de Groenedijk, een oud weggetje met knotwilgen en sloten aan weerszijden, dat schijnbaar onaangedaan langs de nieuwbouw loopt. Er ligt ook veel verleden onder de grond: tientallen overblijfselen van de Romeinen zijn hier in kaart gebracht, waaronder een weg, een schip, zelfs een volledig castellum.

De ontwerpers van Leidsche Rijn, stedenbouwkundige Riek Bakker en architectenbureau MAX 1, hebben zich veel moeite getroost om van Leidsche Rijn iets karakteristieks te maken door in het masterplan rekening te houden met dat wat er vóór de Vinex al was, zoals de verkavelingspatronen en waterlopen in het al bestaande landschap. Ook is Leidsche Rijn milieuvriendelijk: het regenwater verdwijnt niet naar het riool, maar wordt op het maaiveld, dus door de tuinen en de openbare ruimte heen, afgevoerd naar zogenoemde wadi's. Daarin wordt het gefilterd en sijpelt het terug in het grondwater, om te voorkomen dat het gebied uitdroogt. De wadi's blijven onbebouwd en vormen groene stroken door de wijk.

Sommige voornemens waren moeilijk te realiseren. Zo is bij aanvang afgesproken dat Leidsche Rijn in delen zou worden aangelegd, niet alleen omdat het te groot is om in één keer te bouwen, maar ook om flexibel te kunnen inspelen op veranderingen in de vraag. Flexibiliteit is echter niet het opvallendste kenmerk van de woningbouw in Nederland. Toen de ontwikkelaars vorig jaar meer koopwoningen wilden bouwen omdat daar meer vraag naar was, weigerde de gemeente de contracten open te breken. En om de aansluiting op Utrecht te vergemakkelijken – een van de doelstellingen van de Vinex – zou de A2 overkluisd worden, een plan dat als plan overal met instemming werd begroet, maar dat in de uitvoering tot een loopgravenoorlog leidde.

Ondanks alle mooie plannen zijn het vooral woningen die het beeld van Leidsche Rijn bepalen: enkele flats, maar vooral twee-onder-één-kappers en rijtjeshuizen met tuintje voor en achter. Zo ook in het redelijk welvarende Langerak II, dat door de Groenedijk wordt gescheiden van de wat minder bedeelde Parkwijk. Want zoals in de geliberaliseerde woningmarkt inmiddels gebruikelijk is, geldt ook hier de verdeling van 70 procent bouwen `voor de markt' en 30 procent sociale sector. Van de zes huishoudens die voor dit project anderhalf jaar lang zijn gevolgd, hebben er drie nu voor het eerst een eigen huis gekocht. Niemand van hen had verwacht hier terecht te zullen komen.

Maar hoe lang zullen ze er blijven? De Nederlander verhuist steeds vaker, en ook de nieuwe bewoners van Langerak II houden hun opties open. Ze verwachten het een jaar of vijf uit te houden, daarna kan het echte leven beginnen. Ze dromen van een huis in een gehucht, een huis van honderd jaar oud, een zelf ontworpen huis, een huis in Portugal, een guesthouse in Zuid-Spanje.

Wonen op een Vinex-locatie heeft in de ogen van honderdduizenden mensen blijkbaar genoeg voordelen om er gemiddeld drie tot vier, maar ook zes, acht of tien ton aan een huis uit te geven. De Vinex-bewoners zijn zelf dan ook redelijk tevreden.

Vanwaar dan toch die kwade reuk? Daar zijn in ieder geval twee oorzaken voor te noemen. In de eerste plaats is er de eenvormigheid die haast onvermijdelijk is wanneer je, zoals nu, wijken van duizenden woningen in een paar jaar tijd uit de grond stampt. Wijken? Wat heet: Leidsche Rijn is in omvang te vergelijken met Delft of Leeuwarden. In zo'n huizenzee kan slechts de goed onderrichte fijnproever nog de oude waterlopen en beplantingspatronen herkennen die de ontwerpers met zoveel moeite hebben geprobeerd te behouden. En als je door het land rijdt zie je telkens nieuwe wijken met dezelfde architectuur als een repeterende breuk, waardoor het lijkt alsof het hele land is volgezet met meer van hetzelfde.

Veel ruimte voor revolutie in de woningbouw was er niet, want onder druk van de oververhitte markt waren de ontwikkelaars er op gebrand hun bouwclaims bij de gemeenten snel te verzilveren. En wat ze ook neerzetten, het verkoopt tóch als warme broodjes. Beloften en pretenties over compacte stedenbouw zijn niet waargemaakt. Wat een verlengstuk van de stad moest worden, is gewoon een buitenwijk zoals zovele. Dit is de conclusie van Hans van Rossum en Frank van Wijk, onderzoekers bij het RIGO (Researchinstituut Gebouwde Omgeving) die samen met landschapsarchitect Lodewijk Baljon in opdracht van het Stimuleringsfonds voor Architectuur veertien Vinex-wijken onderzochten. Bij NAi Uitgevers publiceerden ze onlangs het boek De Stad in uitersten: Verkenningstocht naar Vinex-land.

Van de beperking van het autoverkeer is weinig terechtgekomen: het openbaar vervoer is te laat en te grofmazig aangelegd om te kunnen voorkomen dat veel huishoudens een tweede auto aanschaften. De aanleg van infrastructuur blijft ook achter bij de aanleg van woningen. Volgens de onderzoekers van De Stad in uitersten zijn de nieuwe wijken vaak in wat ,,indifferente gebieden'' in de buurt van een snelweg beland, waarbij de grotere locaties op wat grotere afstanden van het stadscentrum uitkwamen.

En dan zijn er nog de dingen van alledag. Bewoners kunnen maar niet begrijpen hoe het komt dat bij zo'n grote operatie van landelijke omvang, waarbij het toverwoord `leefbaarheid' is, het niet mogelijk was om tijdig voor voldoende kinderopvang, winkels en bomen te zorgen.

De Vinex-wijken moesten een verlengstuk van de stad worden. Dat zijn ze niet, de meeste hebben een monocultuur van wonen. Worden dit, zoals het PvdA-kamerlid Adri Duivesteijn heeft gezegd, ,,de getto's van de toekomst''? Zo ver gaan de RIGO-onderzoekers niet, maar ze waarschuwen wel dat de Vinex-wijken weinig flexibele wijken met een beperkte toekomstwaarde dreigen te worden.

Stedelijk is Langerak inderdaad niet, dat kun je met het blote oog waarnemen. Uit de gesprekken met deze nieuwe bewoners krijg je ook niet de indruk dat ze er om stedelijkheid zijn gaan wonen. Hier kun je ook niet meer spreken van een wijk, Leidsche Rijn is zoals zoveel Vinex-wijken een onderdeel van wat tegenwoordig de `netwerkstad' heet. Anders dan de traditionele stedeling is de netwerkstedeling geen buitenwijker die is gericht op de oude stad, maar stelt hij zijn eigen stad samen uit een groot aantal bestemmingen in een wijde omgeving. De footloose bewoners van Vinex-wijken zijn niet meer op het historische centrum georiënteerd, maar doen hun boodschappen in de ene plaats, gaan uit in de andere en winkelen in een derde. De werkelijkheid van de netwerkstad heeft de Vinex-wensdroom ingehaald.

Tot slot nog de vraag hoe de woningmarkt er zal uitzien in de netwerkstad. Om te beginnen is het antwoord: MEER. Meer en grotere woningen, en meer ruimte voor de wensen van de bewoners. Er treedt nu een machtsverschuiving op in de woningmarkt. Nog altijd wordt er veel gebouwd, veel verkocht, veel verhuisd, dus voor de bouwers en ontwikkelaars zijn het nog altijd goede tijden. Maar het einde van de schaarste op de woningmarkt lijkt in zicht en dus verschijnt er eindelijk een nieuwe machtsfactor aan de horizon: degenen die de huizen kopen en bewonen. Steeds luider worden de stemmen om de `woonconsument' meer zeggenschap te geven over wat hij koopt.

De overheid heeft zich de kritiek op het gebrek aan keuzevrijheid in de Vinex-wijken al aangetrokken. De Tweede Kamer heeft een motie van Duivesteijn aangenomen waarin wordt bepaald dat in de nabije toekomst een derde van de woningen in opdracht van de consument zelf moet worden gebouwd. Elk zichzelf respecterend bouwbedrijf heeft nu een apart programma voor dit `individueel opdrachtgeverschap'.

Het zal vast een zegen voor de consument zijn dat de tijden voorbijgaan waarin alles met vier muren en een dak binnen een etmaal voor anderhalf maal de vraagprijs werd verkocht. Want dan kan hij kritischer en lastiger worden. Dan zullen er misschien minder fouten bij oplevering worden gemaakt dan de 38 die nu het gemiddelde zijn. Dan zal de consument meer dan een cosmetische inbreng in zijn woning hebben. Dan zal de vernieuwing in de woningbouw zich op andere typen richten dan alleen het rijtjeshuis. Dan zal de overheid ontdekken wat liberalisering echt betekent en een Bouwbesluit aannemen waar minder regels in staan in plaats van meer. Dan krijgen de mondige, welvarende Nederlanders woningen waarin je zelf mag weten hoe groot de wc is en hoe hoog het plafond wordt. Net als bij drugs, abortus en euthanasie neemt het bouwbeleid dan afscheid van het verstikkende `nee tenzij' ten faveure van een bevrijdend `ja mits'.