Een uitstekend woord

Vinex is de afkorting van Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra. De ambtenaren hadden er ook Vinoroe van kunnen maken, of Vitaro. Bij Vinoroe moet je denken aan een Spaanse wijngaard; Vitaro is een frisdrank die nieuwe energie schenkt. Het werd Vinex. Gesteld: u hoort dit woord voor het eerste, u hebt geen notie van wat het betekent. Iemand vertelt u dat dit schoonmaakmiddel alle leven in de gootsteen doodt; of dat deze nevel uit de spuitbus alle muggen verdelgt. U gelooft het meteen.

Het is een theoretische veronderstelling. Heel veel Nederlanders zullen wel weten dat Vinex iets met huizenbouw te maken heeft. De Vierde Nota Extra, verschenen in 1990, voorzag dat in Nederland binnen een jaar of tien 600.000 huizen moesten worden gebouwd. Later werden het er nog meer. De meeste moesten komen op de Vinex-locaties in de omgeving van de grote steden. Natuurlijk, want in de grote steden heerst altijd woningnood.

Na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog voert Nederland een niet eindigend gevecht tegen de woningnood. Zie het land als een slagveld. Terwijl er wordt gevochten, verandert het terrein, onophoudelijk. De geschiedenis van het Nederlandse landschap en stadsbeeld is het verhaal van deze strijd, en van de daarbij aangerichte collateral damage.

In het begin viel dat niemand kwalijk te nemen. Als er met minder dan de helft van de middelen vier maal zoveel moet worden gedaan, breekt de nood de wet. Bovendien heeft Nederland tussen 1945 en 1949 aan de andere kant van de aarde nog zijn eigen nationale oorlog gevoerd. Bij ons is de wederopboue pas goed begonnen na 1950.

Ik reed in die jaren vaak in de trein of met de auto door de Randstad. Zo zag ik hoe de eerste uitgestrekte weilandgebieden bouwrijp werden gemaakt. Het groen veranderde eerst in zwart, dan kwam de zandkleur, en tenslotte het baksteenrood, de kleur van onze nieuwbouw. Osdorp en Buitenveldert heb ik uit de grond zien komen. Amsterdam en Haarlem begonnen elkaar in de buurt van Halfweg te ontmoeten. Lage baksteenhuizen langs kaarsrechte straatjes, gegroepeerd volgens het patroon van de rechthoek. Alles hetzelfde. Nederland, dacht ik, wordt overdekt met een rood eczeem.

Uit deze tijd dateert een verhaaltje van Simon Carmiggelt, een Kronkel. Hij is op verjaardagsvisite bij mensen in zo'n straatje. Ontdekt dat hij geen sigaretten meer heeft. Op de hoek is een winkel. Daar verkopen ze ook feestartikelen. Hij denkt: een verrassing. Koopt een feestneus, zet het ding op en belt aan bij de jarige. Een meisje doet open. Hij dringt haar opzij, rukt de deur van de huiskamer open, springt naar binnen en roept: `Daar ben ik weer!' In de kamer zit één man, met zijn voeten in een teil water. De man zegt: `Huh!' Carmiggelt vlucht, kijkt op straat nog een keer om, en ziet hoe de man en het meisje hem nakijken.

In die tijd zijn de straten van alle buitenwijken en alle buitenwijken van alle Nederlandse steden onderling uitwisselbaar geworden. Tot de collateral damage horen ook psychische verschijnselen. De groene weduwe doet haar intrede, de huisvrouw die in de buitenwijk haar geïsoleerde leven leidt. Albert Heijn vestigt er zijn nederzettingen, importeert de sherry. Dan krijgen we het verschijnsel van de groene sherryweduwen.

Intussen blijft de bevolking onweerstaanbaar groeien. Naast onze erfvijand, het water, verschijnen onze erfvrienden van het jonge gezinnetje in de doorzonwoning. Tegen de behoeften van steeds meer jonge gezinnen valt langzamerhand niet meer op te bouwen. En dan verschijnt onder de verantwoordelijkheid van minister Alders de Vinex. Een radicaal document: vóór veel meer woningen, maar tegen de `verstening en verglazing' van Nederland, vóór het openbaar vervoer en tegen de auto, vóór de verdere groei van de Randstad en tegen de ontwikkeling van `verre steden' als Lelystad.

Tien jaar gaan voorbij. De dromen van de heer Alders en de zijnen zijn niet uitgekomen. In plaats daarvan hebben we het poldermodel gekregen, met meer auto's, buitenwijken, singeltjes, vijvertjes met sculptuurtjes, winkelcentra, meubelboulevards, sport- en pretparken, en daartussen overal de grote dozen van onze voortvarende polderindustrie.

In alle moderne industrielanden heb je van die gebieden. Ze herbergen een enorme variatie aan bouwwerken, bouwsels, stijlen, nijverheden, welstand. Om de steden heen ligt het terrain vague, het metropole niemandsland van avontuur, armoe, ondernemingslust, begin van nieuwe rijkdom. Alles heeft zijn eigen vorm. Koot en Bie hebben er een mooie benaming voor gevonden: het Jacobse-en-Van-Es-land. Wij hebben het ook gehad. Maar op een of andere manier is het opgerold door overheden die van orde en netheid gediend waren. Het is bebouwd in rechthoeken, met rood en grijs, hier en daar afgewisseld door een gedurfde slinger, goedgekeurd door een welstandscommissie. We hebben er democratisch over beslist en we hebben ons het resultaat laten welgevallen. Ga eens met de trein naar Antwerpen, kijk goed uit het raam, en zie het verschil. Wat ziet u? Belgische toestanden. Terug in het vaderland, kijk naar de bakermat van een onzegbare driedimensionale kaalheid.

Waar ligt het aan? Wij noemen onszelf toch eigenzinnige individualisten? Misschien zijn we het soms, maar in ieder geval niet als het gaat om een dak boven ons hoofd. In de Nederlandse woningbouw overheerst al een halve eeuw een plichtmatig, ja, een steriel conformisme. Vinex is daar een uitstekend woord voor.