Bush neemt met nieuwe vrienden gevaarlijke risico's

De Amerikaanse regering heeft, in haar ijver bondgenoten te werven voor de strijd tegen Bin Laden, haar bezwaren tegen dubieuze regimes wel érg gemakkelijk aan de kant geschoven, meent Thomas von der Dunk.

Het zijn vanouds meestal catastrofes die regeringen tot een grondige bijstelling van hun koers dwingen. Zolang het in de gebaande paden goed lijkt te gaan, wordt de noodzaak daarvan niet ingezien. De enorme wending die de politiek in Washington sinds 11 september genomen heeft, demonstreert dit opnieuw. Aan de macht gekomen op grond van een typisch Amerikaans, tegen staat en overheid gericht sentiment, zien de Republikeinen zich nu gedwongen de rol van staat en overheid drastisch te versterken. De staat blijkt niet meer, zoals Reagan ooit verkondigde, zelf het hoofdprobleem, maar integendeel een belangrijk middel tot de oplossing ervan te zijn.

Ook in het buitenlands beleid is een duidelijke draai gemaakt. De weloverwogenheid van Powell heeft het, althans voorlopig, gewonnen. Het besef dat eigen veiligheid in een globaliserende wereld niet te bereiken is door zich mentaal op te sluiten tussen twee oceanen, maar slechts door samenwerking met een groot deel van die wereld, lijkt nu ook tot Bush te zijn doorgedrongen. Zelfs een houwdegen als Rumsfeld helpt nu coalities smeden, en in het kader daarvan wordt eindelijk het belang van een werkbare verstandhouding met grote delen van de Arabische wereld onderkend. Israël is wegens zijn doorzichtige poging de aanslag voor eigen doeleinden uit te buiten publiekelijk tot de orde geroepen, en in de particuliere obsessies van Shas en Sharon is men in het Pentagon nu terecht even niet zo geïnteresseerd. Er staan nu heel wat grotere belangen op het spel.

Toch bergt de thans in Washington uitgestippelde koers de nodige gevaren in zich. De gretigheid waarmee nu discutabele lieden en staten worden omarmd teneinde zo snel mogelijk de Talibaan te kunnen onttronen, heeft een keerzijde. Zijn de wereld en Afghanistan werkelijk beter af met een zege van de Noordelijke Alliantie? Ook Bin Laden en Saddam Hussein zijn ten dele `goedbedoelde' creaties van het Westen, waarmee het indertijd een toen als urgenter ervaren vijand Rusland respectievelijk Iran onschadelijk poogde te maken.

Niet minder dubieus is de plotseling ontloken liefde voor Rusland en China, zoals bij het Duitslandbezoek van Poetin zichtbaar werd, waar Schröder wel erg snel bereid bleek Tsjetsjenië te `vergeten'. De steun van deze beide grote mogendheden voor Washingtons strijd tegen het terrorisme is echter beslist niet onvoorwaardelijk, en heeft zijn politieke prijs, die ons later op zou kunnen breken. Even geen kritiek meer op de Russische troepen in de Kaukasus, en ook geen gezeur meer over Tibet, of steun aan Taiwan.

De grote geestelijke nood van de Amerikanen wordt door vele bloedbevlekte regimes, die nu als bondgenoten nodig zijn, behendig uitgebuit om hun eigen hardhandig onderdrukte afscheidingsbewegingen in de categorie `terroristen' onder te brengen. Poetin heeft in het verlengde van zijn steunbetuiging opnieuw de interesse van zijn land voor een toekomstig EU-lidmaatschap aan Brussel laten wezen. De door die suggestie, als zouden wij met de machthebbers in Moskou en Peking geheel over wezenlijke waarden overeenstemmen, betekent echter op termijn een ondermijning van de westerse geloofwaardigheid waar het de pretentie betreft voor democratie en vrijheid pal te staan. Een zekere distantie blijft gewenst, zoals dat ook voor Turkije geldt, dat ons om geostrategische belangen een paar jaar geleden ook al door Washington overhaast als EU-lid dreigde te worden opgedrongen.

,,Freedom itself was attacked'', zo heeft Bush de aanslag op het WTC immers geduid. Als dat zo is, kan men niet zonder voorbehoud kiezen voor intensieve samenwerking met landen, waar de vrijheid niet zozeer wordt aangevallen als wel domweg niet bestaat. Wij dienen niet in dezelfde fout te vervallen zoals tijdens de Koude Oorlog toen, in de strijd tegen de communistische duivel, Pinochet en Franco dankbaar tot medestrijders voor de vrijheid werden verheven, en daarmee de geloofwaardigheid van die strijd in de ogen van de niet-westerse buitenwacht werd ondermijnd. Het bewaren van een wankel evenwicht tussen de noodzaak nu handelend optreden tegen Bin Laden en daarvoor coalities te smeden, maar daardoor straks de mogelijkheid te verliezen tot kritiek op destabiliserende wantoestanden elders, is dezer dagen dan ook een kunst op zich.

Dit temeer, omdat de door Moskou en Peking als `hun' terroristen naar voren geschoven separatisten Tsjetsjenen en Oegjoeren eveneens moslims zijn. Door een al te nauwe samenwerking dreigt juist, wat Washington op het ogenblik terecht krampachtig tracht te vermijden: dat onder moslims werkelijk massaal het beeld ontstaat dat de afgelopen zondag begonnen strafoefening in Afghanistan de opmaat is voor een godsdienstige kruisvaart tegen de islam.

Dit wordt versterkt door de vooral aan Bush' denkwijze inherente tendens om de wereldgeschiedenis tot een western te reduceren: wie niet voor ons is, is tegen ons, en wie tegen ons is, wordt bestraft. Waar wij, op grond van de complexiteit van de interne verhoudingen en de sentimenten onder de Arabische bevolking, al blij mogen zijn wanneer Iran, Egypte en Saoedi-Arabië erin slagen om hun relatieve neutraliteit te handhaven, getuigt een dergelijke insteek van een levensgevaarlijke kortzichtigheid. Automatische uitbreiding van de huidige luchtaanvallen naar andere landen, omdat deze zich zoals veel moslims dit dan moeten interpreteren niet braaf gedragen als Amerikaanse vazallen die zonder mankeren het Amerikaanse wereldbeeld inzake Goed en Kwaad overnemen, zet de verstandhouding tussen het Westen en het Midden-Oosten op het spel. Positieve ontwikkelingen in een cruciaal land als Iran, waar de theocratie de laatste jaren enigszins in het defensief is gedrongen, kunnen daardoor met decennia worden vertraagd om van de met Atjeh en Molukken toch al explosieve toestand in Indonesië te zwijgen.

Dit eens temeer, waar speciaal de Saoedische machthebbers zondebok bij uitstek van Bin Laden toch al als verlengstuk van de VS worden gezien, en niet ten onrechte. Het terroristische netwerk van Al-Qaeda vindt zijn wortels in de woede over de, na de Golfoorlog gebleven, aanwezigheid van heidense Amerikaanse troepen in het land van de twee belangrijkste heilige plaatsen van de islam. Die aanwezigheid wortelt in de Amerikaanse wens om omwille van een kunstmatig laaggehouden prijs een greep op de olievelden te behouden. In de ogen van veel Arabieren verdedigt Washington in hun contreien dan ook niet zozeer de westerse beschaving als wel de westerse belangen. Wil men deze perceptie veranderen, dan is het, los van het nu mogelijk opnieuw in een stroomversnelling geraakte streven om voor het Palestijns-Israëlische conflict tot een oplossing te komen, noodzakelijk dat de Verenigde Staten in het vervolg voor de olie op een normale manier via de markt betalen. Het gegeven dat de Texaanse `olieboer' die het bijna een jaar geleden tot president in Washington heeft gebracht, op 11 september de voor een belangrijk deel uit ongeremde benzineconsumptie bestaande American way of life voor onaantastbaar heeft verklaard, helpt bij het noodzakelijke doorbreken van dit inzicht helaas niet.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.