Amerika heeft de islam niet geprovoceerd

Voor de aanslagen die op 11 september zijn uitgevoerd op New York en Washington bestaan geen eenvoudige verklaringen. Eenvoudige oplossingen voor de achterliggende problematiek zijn er evenmin.

Susan Sontag hoopt dat er iets intelligents wordt bedacht om de bevolking te beschermen tegen de jihad tegen de moderne wereld.

Op 11 september was ik helaas niet in New York. Ik was voor een bezoek van tien dagen in Berlijn, en daarom was mijn eerste reactie op wat in de Verenigde Staten gebeurde ingegeven door de media. Ik was van plan me die dinsdagmiddag op mijn kamer in een buitenwijk van Berlijn terug te trekken om te schrijven, maar opeens kreeg ik twee telefoontjes van vrienden, één in New York en één in Bari, die me vertelden wat midden op de ochtend in New York en Washington was gebeurd. Ik zette meteen de televisie aan en de volgende achtenveertig uur heb ik steeds gekeken, voornamelijk naar CNN.

Daarna pakte ik mijn laptop en schreef een tirade tegen de holle, misleidende demagogie van de Amerikaanse regering en de media. (Die korte tekst, waarop in de Verenigde Staten scherpe kritiek is gekomen, was natuurlijk maar een eerste, helaas maar al te juiste indruk.) Het echte verdriet kwam pas later bij stukjes en beetjes.

Toen ik de week daarop 's avonds laat weer in New York aankwam, reed ik regelrecht van Kennedy Airport naar de plaats van de ramp, althans zo dicht als ik er met de auto bij kon komen. Ik heb een uur te voet rond de gebouwen gedwaald die nu één groot smeulend en stinkend massagraf vormen van zo'n zes hectare in het zuidelijk deel van Manhattan.

Door het feit van de verwoesting en het enorme verlies aan mensenlevens leek mijn aanvankelijke obsessie met de retoriek rond het gebeuren me in die eerste dagen na mijn terugkeer in New York niet meer zo relevant. Ik nam de wereld niet meer via de televisie waar. Ik heb altijd geweigerd in Amerika een televisietoestel aan te schaffen, al kijk ik natuurlijk wel televisie als ik in het buitenland ben. Thuis zijn mijn voornaamste nieuwsbronnen The New York Times en een aantal Europese kranten die ik on line lees. De Times heeft dagen achtereen kolommen vol hartverscheurende korte biografieën met foto gepubliceerd van vele van de duizenden mensen die zijn omgekomen, inclusief de minstens driehonderd brandweerlieden die de trappen oprenden terwijl het kantoorpersoneel naar beneden kwam.

Maar het kan niet bij rouw alleen blijven. We moeten terug naar de discussie rond het gebeuren en het feit dat sinds 11 september iets in Amerika is veranderd. Er doen twee versies de ronde ter verklaring van de ramp van 11 september. De eerste luidt dat het om een oorlog gaat die is begonnen met een `slinkse aanval', te vergelijken met het Japanse bombardement van 7 december 1941 op de Amerikaanse marinebasis in Pearl Harbor op Hawaii, waardoor de Amerikanen in de Tweede Wereldoorlog betrokken werden. De tweede, die zowel in de VS als in West-Europa opgeld begint te doen, luidt dat het hier gaat om een strijd tussen twee rivaliserende beschavingen, de ene productief, vrij, tolerant en seculier (of christelijk) en de andere achterlijk, fanatiek en wraakzuchtig.

Het is duidelijk dat ik me niet kan vinden in deze twee platte en gevaarlijke modellen. Een van de belangrijkste redenen om zowel de versie die zegt dat `we nu in oorlog zijn' als die welke stelt dat `onze beschaving superieur is aan die van hen' te verwerpen, is dat ze precies de mening zijn van degenen die deze misdadige aanval hebben gepleegd. Als de Amerikaanse regering het gebeurde blijft afschilderen als een oorlog en tegemoet komt aan het verlangen van het publiek naar grootscheepse bombardementen, zal het gevaar waarschijnlijk alleen maar groter worden. Niet de terroristen zullen lijden onder een intensieve oorlog als de Verenigde Staten en hun bondgenoten in hun reactie daartoe overgaan, maar juist nog meer onschuldige burgers. Die doden zullen de afkeer jegens Amerika (en meer in het algemeen het seculiere Westen) waartoe het radicale islamitische fundamentalisme oproept, alleen maar aanwakkeren.

Alleen gericht geweld kan misschien het gevaar indammen dat wordt gevormd door de beweging waarvan Osama bin Laden vanzelfsprekend alleen maar één van de vele leiders is. Het is een uiterst complexe situatie. Enerzijds is het activistische terrorisme dat op 11 september een gigantisch succes boekte, een mondiale beweging die niet gelijk kan worden gesteld met één staat, zeker niet alleen met het trieste Afghanistan. Net zoals de moderne economie, de massacultuur en pandemische ziekten (denk aan aids), trekt het terrorisme zich niets van grenzen aan. Niettemin zijn er staten die wel degelijk een sleutelrol spelen. De wereldwijde steun aan de wahabitische beweging was voornamelijk afkomstig van Saoedi-Arabië, terwijl het Saoedische koningshuis in dezelfde periode de belangrijkste bondgenoot van Amerika in de Arabische wereld was.

Onder de jongste telgen van de Saoedische elite zijn er naast Bin Laden genoeg anderen voor wie de samenwerking tussen het Saoedische koningshuis en de Verenigde Staten een vorm van `cultuurverraad' is. Bij een grootscheepse `oorlog' onder aanvoering van Amerika tegen de terroristische beweging die met Bin Laden wordt vereenzelvigd, dreigt het gevaar dat de `reactionaire' monarchie wordt afgezet en `radicalen' in Saoedi-Arabië aan de macht komen. En dat is nog maar een van de vele dilemma's waar de Amerikaanse beleidsadviseurs voor staan.

Behalve onjuist is het ook misleidend om 11 september te vergelijken met Pearl Harbor. De indruk ontstaat dan al gauw dat de strijd moet gaan tegen een ander land. Maar de krachten die de Amerikaanse macht willen breken, zijn veeleer sub- of transnationaal van aard. Osama bin Laden is hooguit een soort president-directeur van een groot conglomeraat van terreurgroeperingen. Volgens sommige deskundigen is hij zelfs een soort boegbeeld, dat meer wordt gewaardeerd om zijn geld en charisma dan om zijn operationele talent. Zo bezien bestaat het echte brein achter de geplande operaties die we nog in vele landen mogen verwachten, uit een harde kern van Egyptische extremisten.

Ik laat me, net als Gore Vidal, al sinds jaar en dag kritisch uit over mijn land, al mag ik hopen dat ik minder slordig ben dan hij, en voor mij spreekt het vanzelf dat kritiek op het Amerikaanse buitenlandse beleid altijd wenselijk en onvermijdelijk is. Maar ik geloof niet dat, zoals Gore Vidal in zijn laatste boek The Golden Age stelt, Roosevelt de Japanse aanval op Pearl Harbor heeft uitgelokt. De Japanse regering was in haar dwaasheid echt zelf van plan oorlog te voeren met de Verenigde Staten. En zo geloof ik ook niet dat Amerika de islamitische wereld al jaren provoceert. Amerika heeft zich in veel landen wreed en tiranniek opgesteld, maar Amerika is niet bezig met een grootse operatie tegen zoiets als `de islamitische wereld'. Hoewel ik de Amerikaanse buitenlandse politiek en de Amerikaanse tirannie en arrogantie betreur, moeten we niet vergeten dat wat op 11 september gebeurde gewoon een weerzinwekkende misdaad was.

Hoewel ik al jarenlang voorop loop met kritiek op Amerikaanse wandaden, en ook duidelijk lucht heb gegeven aan mijn verontwaardiging over bijvoorbeeld het embargo dat het arme, onderdrukte volk van Irak zoveel leed berokkent, deel ik niet de mening die ik bespeur onder bepaalde Amerikaanse intellectuelen zoals Vidal en vele weldenkende intellectuelen in Europa, namelijk dat Amerika zich deze ellende zelf op de hals zou hebben gehaald, alsof Amerika zelf medeverantwoordelijk zou zijn voor die duizenden doden opeigen grondgebied. Het is ronduit schunnig de Verenigde Staten als schuldigeaan te wijzen ter rechtvaardiging of vergoelijking van deze gruwelijkedaden, ook al valt er heel wat af te dingen op het optreden van de VS in het buitenland. Terrorisme is moord op onschuldigen. Ditmaal was het zelfs massamoord.

Bovendien is het onjuist terrorisme deze vorm van terrorisme te beschouwen als het nastreven van legitieme doelstellingen met illegale middelen. Stel bijvoorbeeld dat Israël zich morgen eenzijdig uit de Westelijke Jordaanoever en Gaza zou terugtrekken, en stel dat de dag erna de Palestijnse staat zou worden uitgeroepen en Israël zijn hulp en medewerking zou toezeggen, dan zouden deze zeer wenselijke gebeurtenissen geen enkele invloed hebben op de terroristische aanslagen die nu gaande zijn.

Terroristen hullen zich in legitieme grieven, zoals Salman Rushdie eens heeft opgemerkt. Het gaat hun niet om genoegdoening voor bepaalde grieven die zijn een onbeschaamd voorwendsel. Degenen die achter de massaslachting van 11 september zaten, waren er niet op uit genoegdoening te krijgen voor het Palestijnse volk of voor het lijden van mensen in het grootste deel van de islamitische wereld. De aanval was een anval op de moderne wereld (de enige cultuur waarin de emancipatie van vrouwen mogelijk is), en inderdaad ook op het kapitalisme. Dit schreeuwt om een reactie met gebruik van wapens in de vorm van een complex en met zorg afgewogen geheel van antiterroristische acties. Dat is ook niet meer dan gerechtvaardigd.

De Verenigde Staten zijn een gek land. Amerikanen hebben een sterke neiging tot anarchisme en tegelijkertijd hebben ze een bijna bijgelovig respect voor de wet. Ze aanbidden immoreel succes en tegelijkertijd moraliseren ze over goed en kwaad. De overheid en de belastingen vinden ze intens verdacht, om niet te zeggen ongewettigd, maar in een noodsituatie beginnen ze meteen met hun vlaggetje te wapperen, hun onvoorwaardelijke vaderlandsliefde te tonen en hun steun aan hun leiders te betuigen. Ze geloven vooral dat Amerika een uitzondering is in de geschiedenis van de mensheid, en dat Amerika altijd vrij zal blijven van de normale beperkingen en rampen die het lot van andere landen zijn.

Op dit moment heerst in de VS een sterk conformistische stemming. Iedereen was geschrokken en ondersteboven van het succes van de aanval van 11 september. Iedereen is bang. En ieders eerste impuls is de gelederen te sluiten en van zijn vaderlandsliefde te getuigen alsof die door de aanval in twijfel was getrokken. Het land gaat schuil onder een deken van vlaggen. De vlaggen hangen uit de ramen van appartementen en huizen, ze zijn gedrapeerd over winkelpuien en restaurantgevels, ze wapperen aan hoogwerkers, vrachtwagens en de radioantennes van auto's. Men vindt het onpatriottisch om spottend te spreken over de president anders een favoriete bezigheid van Amerikanen, wie de president ook is.

Er zijn een paar journalisten ontslagen bij kranten en tijdschriften. Universiteitsdocenten zijn in het openbaar berispt omdat ze in hun college uiterst milde kritiek hadden geuit (bijvoorbeeld vragen hadden gesteld over de mysterieuze verdwijning van Bush op de dag van de aanval). Zelfcensuur, de belangrijkste en meest succesvolle vorm van censuur, wordt overal toegepast. Alle discussie wordt gelijkgesteld met afkeuring, wat weer wordt gelijkgesteld met gebrek aan loyaliteit. Algemeen heeft het idee postgevat dat we ons in deze nieuwe noodsituatie onze normale vrijheden misschien niet meer kunnen veroorloven. Uit opiniepeilingen blijkt dat de populariteit van Bush tot boven de negentig procent is gestegen een cijfer dat dichtbij de populariteit van de leiders van de oude sovjetdictaturen komt.

Het is de vraag of de publieke opinie van invloed is op de beslissingen die nu door de Amerikaanse regering worden genomen. We moeten daarbij niet vergeten hoe volgzaam het publiek is in bijna alle aspecten van het buitenlands beleid. Die passiviteit is mogelijk het onvermijdelijke gevolg van het zegevieren van het verlichte kapitalisme en de consumptiemaatschappij. Er bestaat al geruime tijd nauwelijks verschil van betekenis tussen de Democraten en de Republikeinen. Ze vallen nog het beste te omschrijven als twee afdelingen van één partij.

Behalve een opvallend tolerante samenleving is Amerika ook conformistisch: dat is de paradox van de politieke cultuur die er is opgebouwd. Maar mocht in de nabije toekomst nog een terroristische aanval binnen de grenzen van de VS worden gepleegd, ook al is het een aanval waarbij relatief weinig slachtoffers vallen, dan zou de brede steun voor kritische en ketterse meningen weleens voorgoed kunnen afkalven. Er zou zoiets als standrecht kunnen worden ingevoerd, met als gevolg het verdwijnen van de grondwettelijke bescherming van de rechten van het individu en in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting.

Voorlopig ben ik nog voorzichtig optimistisch. Zodra iedereen zich weer moet bezighouden met echte problemen, zoals de inzakkende economie, zal de wraakzuchtige woede, gericht tegen kritische intellectuelen zoals ik en er zijn er helaas maar al te weinig van snel verdwijnen.

We horen bijna geen cowboytaal meer van de regering Bush. Blijkbaar zijn in de nasleep van 11 september enkele stevige discussies gevoerd in de hoogste kringen van regering en leger. Onze krijgsheren beseffen dat we te maken hebben met een uiterst complexe `vijand', die niet met de oude middelen kan worden verslagen.

Het valt te hopen dat er iets intelligents wordt bedacht om onze bevolking te beschermen tegen de jihad tegen de moderne wereld. En laten we hopen dat de regering-Bush, Blair en alle anderen echt hebben begrepen dat het zinloos, of zoals zij het noemen contraproductief maar ook slecht is om het onderdrukte volk van Afghanistan en Irak en andere landen te bombarderen ter vergelding van de misdaden van hun dictators en de heersende religieuze krankzinnigen. Laten we het hopen.

Susan Sontag is schrijfster.