68 NEW YORK

Phileas Fogg deed het in 80 dagen, The New Yorker in bijna 80 jaargangen. De Achterpagina gaat in 80 hits de wereld rond. Aflevering 68: aankomst in New York City.

,,William Faulkner had het Zuiden, James Joyce had Dublin, en ik heb New York'', zei Lou Reed ooit in een interview met Rolling Stone. De uit Brooklyn afkomstige zanger-gitarist heeft zich een carrière lang laten inspireren door zijn geboorte- en woonplaats. Zowel voor The Velvet Underground, de groep waarin hij debuteerde, als voor zijn eigen solo-albums schreef hij tientallen liedjes over de zelfkant in New York City, een stad vol corruptie en ellende die hij desondanks of juist daarom – niet zou kunnen missen. Meestal zijn het de krabbelende bewoners, de zwervers en andere losers, die door hem bezongen worden; maar op zijn ongeëvenaarde cd New York (1989) heeft hij ook oog voor de gebouwen en de straten van de stad – van het door de superrijken bezochte Lincoln Centre en het van criminelen wemelende Central Park tot Greenwich Village en het Vrijheidsbeeld, dat door Reed is herdoopt tot `the Statue of Bigotry'. Als de vernietiging van de Twin Towers ooit tot een goede popsong leidt, zal die geschreven zijn door Lou Reed.

Ook de enige (bescheiden) hit van Lou Reed in Nederland, het bijna dertig jaar oude `Walk On The Wild Side', speelt zich af in de grootste stad van Amerika. Het beheerst swingende liedje, met het steeds herhaalde gitaarloopje, de zwoele saxofoon en de politiek-incorrecte refreintjes (`and the colored girls go...'), beschrijft de decadentie van een aantal leden van Andy Warhols New-Yorkse cultuurfabriek The Factory: de travestiet Holly Woodlawn, de orale-seksspecialiste Candy Darling, de drugsdealer Joe D'Alessandro en de grootverbruikster Jackie Curtis. `New York City is the place where they say/ Hey babe, take a walk on the wild side', zingt Reed, maar de enige locatie die hij een naamsvermelding geeft is The Apollo, de populaire concertzaal in Harlem die onder andere door James Brown beroemd is gemaakt. Misschien is dat niet verwonderlijk: Reed componeerde `Walk On The Wild Side' voor een nooit gerealiseerde musicalbewerking van Nelson Algrens gelijknamige roman over de achterbuurten van Chicago.

Behalve een proeftuin voor de zelfkant is New York – net als Hollywood – een plaats waar jaarlijks duizenden artiesten in spe aankomen in de hoop op succes. `If I can make it there, I'll make it anywhere' heette het in het titelummer van de musicalfilm New York, New York waarmee Frank Sinatra in de zomer van 1980 een top-vijfhit had. Zijn beeld van The Big Apple is het spiegelbeeld van `de kruising tussen een circus en een riool' waarover Reed zingt. Bij Sinatra is de `stad die nooit slaapt' de beste remedie tegen `the little town blues' die iedere provinciaal vroeg of laat overvalt.

Een té rooskleurig beeld, natuurlijk. We gaan even voorbij aan de busladingen met Amerikaanse plattelandsbewoners die in New York mislukken, en luisteren naar de `Englishman In New York' van Sting die het bepaald niet gemakkelijk heeft. Niet alleen moet hij zich staande zien te houden in een poel van barbarij (koffie in plaats van thee! handwapens in plaats van wandelstokken!), ook wordt hij door de botte en oliedomme New-Yorkers als een alien beschouwd – een `legal alien' die er niettemin nooit bij zal horen. Maar de Engelsman (die in de bijbehorende videoclip werd gespeeld door de dandy Quentin Crisp) slaat zich er manmoedig doorheen: `It takes a man to suffer ignorance and smile/ Be yourself no matter what they say.'

Sting kwam in maart 1988 op de negende plaats in de Top 40 terecht; acht jaar later en zes plaatsen lager dan zijn landgenoten Godley & Creme met hún (compleet verschillende) liedje over `An Englishman In New York'. Aan deze vrolijk klinkende novelty hit is ook na jarenlange studie geen touw vast te knopen: de tekst grossiert in nonsensverzen (`Defecting Russian dancers dance into Hockney prints/ Exclusive to Bloomingdales, gift-wrapped in red/ From the land of blue rinse') en hoewel er wel wat vage verwijzingen naar New York in voorkomen, is de Engelsman uit de titel ver te zoeken. De luisteraar moet het doen met een `Big Anglophile.'

Misschien dat Kevin Godley en Lol Creme vijftien jaar na dato een parodie wilden maken op de surrealistische jaren-zestigsongs van Bob Dylan. En net als de oude meester zullen ze bij Zeus niet meer weten welke orakels er aan het hek van hun tanden zijn ontsnapt.