Wakkergeschud uit een warm verleden

Links en rechts in Amerika vochten gedurende de jaren negentig een culturele slijtageslag uit over de toekomst van het land. De publiciste Joan Didion oveziet de ruïnes en kiest, ondanks alles, voor Clinton.

Na de terreuraanvallen op New York en Washington heeft de binnenlandse cultuurstrijd tussen links en rechts in Amerika, ook wel bekend als de culture wars, voorlopig afgedaan. Christelijke fundamentalisten als dominee Jerry Falwell en oud-presidentskandidaat en tv-presentator Pat Robertson zagen de aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon aanvankelijk nog als een gelegenheid om het vuur van de morele verontwaardiging op te stoken. Falwell opperde in het programma van Robertson dat `heidenen, voorstanders van abortus, feministen, homo's en lesbiennes' medeverantwoordelijk waren, omdat zij de toorn van God hadden opgewekt met hun `alternatieve levenswijze', maar steun voor deze `analyse' bleef uit, ook in conservatieve kring.

Het was waarschijnlijk geen toeval dat de wedergeboren dominee James Robison, met wie Bush nauwe banden onderhoudt, na de uitlatingen van Robertson liet weten dat `liefde de samenzwering van het terrorisme' kan breken. Dat had hij de president voorgehouden in `een ochtendlange gebedssessie' op diens ranch in Texas. Liefde in plaats van haat: Robisons boodschap was op dat moment eerder welkom dan die van Falwell. Bush zocht na 11 september voor het eerst sinds zijn inauguratie toenadering tot de leiders van de Democratische oppositie, Dick Gephardt en Tom Daschle. Hun steun tegen het terreurnetwerk van Osama bin Laden was hem meer waard dan een donderpreek over het zedelijk verval in Amerika. Falwell werd nog wel uitgenodigd voor de herdenkingsdienst voor de slachtoffers in Washington, maar kort daarvoor had een medewerker van Bush zich al van zijn uitlatingen gedistantieerd. Bush zelf had op gezette tijden weliswaar laten weten zich verwant te voelen met het gedachtegoed van christelijk rechts, maar dat was vóór 11 september.

Wie is geïnteresseerd in de ideologen achter Bush, in de aard van hun ideeën en in de merkwaardige lotgevallen van de Republikeinse partij in de jaren negentig, kan Political Fictions van de liberal publiciste Joan Didion ter hand nemen. Het boek geeft een scherpe en dikwijls geestige analyse (aan de hand van boekbesprekingen) van de culture wars, de interne strijd om `de ziel' van Amerika, die het afgelopen decennium het politieke klimaat in Amerika bepaalden. Didion deed wat veel van haar collega's nalieten: ze las het werk van de christelijke ideoloog Marvin Olasky en de conservatieve rechter Robert Bork, omdat die, tot haar ontsteltenis, van grote invloed bleken op het gedachtegoed van de voormalige leider van het Huis van Afgevaardigden, Gingrich en de huidige president van Amerika. Haar vernietigende essays over Gingrich en Olasky zijn nu, samen met andere stukken die zij sinds 1988 schreef voor The New York Review of Books, gebundeld en van een voorwoord voorzien. Daarin ontpopt Didion, een intelligente beschouwer van `het moderne leven' en de keerzijde van de Amerikaanse droom, zich verrassend genoeg tot aanhanger van een samenzweringstheorie. De politiek, schrijft zij, `bestaat uit een aantal fabels over de Amerikaanse realiteit.' Het was in het verkiezingsjaar 1988 (George Bush senior versus Michael Dukakis) volgens haar duidelijk dat `de retorische manipulatie van de woede waarmee de kiezers werden gepaaid', ertoe had geleid dat de politieke dialoog tot een geestdodend laag niveau daalde. De voornaamste uitdrukking ervan, was een door beide partijen uitgevente nostalgie.

Gouden tijdperk

Kern van die nostalgie is volgens Didion, bij Democraten èn Republikeinen, het verlangen naar een gouden tijdperk. De Republikeinen situeerden dat beurtelings in de jaren vijftig, voordat het vermeende verval van normen en waarden begon, of in de jaren twintig, voor de opkomst van big government onder president Franklin Roosevelt. De Democraten droomden van een terugkeer naar de periode vlak na de Tweede Wereldoorlog, toen overheidsprogramma's terugkerende GI's hielpen bij de wederopbouw van hun bestaan. Beide partijen schotelden het electoraat volgens Didion dus een geïdealiseerde en misleidende versie van het verleden voor, waarmee `geselecteerde' kiezers werden gepaaid. Dat is zeker een interessante analyse, die ook op andere terreinen van het maatschappelijke leven in de jaren negentig in Amerika van toepassing is. Te denken valt aan de recente vloedgolf van boeken, films en televisieprogramma's over de Tweede Wereldoorlog, waarin de mannen en vrouwen die de wereld van het nazisme bevrijdden worden verheerlijkt als de `beste generatie' aller tijden. En aan de bouw, in de jaren negentig, van retro-honkbalstadions in Amerika waarin `de geschiedenis van het nationale tijdverdrijf' wordt gevierd.

In de politiek had de verheerlijking van het verleden volgens Didion in de jaren negentig funeste gevolgen. `Het buitenland' speelde geen rol van betekenis. Na de implosie van de Sovjet-Unie bleven voor de hand liggende onderwerpen als de rol van Amerika in een snel veranderende wereld en de invloed van de globalisering op de binnenlandse economie buiten beschouwing. En in het binnenland wisten de Republikeinen de politieke discussie snel naar zich toe te trekken doordat zij `het gezin' tot brandpunt maakten van hun discussie over normen en waarden. Het interessante is niet, zoals Didion terecht opmerkt, dat conservatieve ideologen daar boeken over schreven, maar dat hun ideeën werden overgenomen door politici die doordrongen tot de top van de Republikeinse partij. Newt Gingrich, de belangrijkste Republikein tussen de presidenten Bush senior en Bush junior, verspreidde ter verwezenlijking ervan een berucht memo waarin hij zijn medestanders maande de Democraten voortaan alleen te noemen in combinatie met de woorden `verval, ziek, pathetisch, stagnatie, corrupt, verspilling en verraders'. Alle woorden waren getest in zogeheten `focusgroepen' van kiezers.

En Bill Clinton? Didion introduceert hem, vernietigend, als volgt: `Niemand die ooit een Amerikaanse openbare middelbare school heeft bezocht kon in 1992 de kandidatuur van William Jefferson Clinton aanschouwen zonder de bekende roofdierachtige seksualiteit van de provinciale adolescent te herkennen. Niemand [...] kon het reservoir aan zelfmedelijden over het hoofd zien, de bliksemafleider van schuld, het dichtknijpen van de ogen als in een documentaire over een natuurreservaat.' Toch is Clinton de enige politicus die bij Didion overeind blijft, al was het maar omdat de Democratische alternatieven in de personen van Michael Dukakis, Al Gore en diens running mate Joe Lieberman niets voorstelden.

Slappeling

Dukakis was een slappeling, die door de Republikeinse propagandamachine eenvoudig terzijde werd geschoven. Gore en Lieberman treft in de ogen van Didion een zwaarder verwijt. Lieberman werd tijdens de Lewinsky-affaire door de Republikeinen en christelijk rechts uitbundig geprezen voor zijn stellingname tegen de verdorvenheid van Clinton. Gore zei tijdens de campagne dat hij zich regelmatig tot Christus wendde om raad. Beiden maakten daarmee de fout zich aan te passen aan de agenda van de tegenstander. Met de Republikeinen waren zij post-Clinton overtuigd geraakt van het zedelijk verval van de natie en van de noodzaak tot morele herbewapening; net als de Republikeinen richtten zij zich tijdens de verkiezingen op gezinnen in de buitenwijken. Daarmee was de cirkel volgens Didion rond: Democraten en Republikeinen deden een beroep op dezelfde, inmiddels murw gepeilde kiezersgroep.

Het zogeheten stembus-spektakel in Florida werd daarna door journalisten uitgeroepen tot een voorbeeldige les in democratie, maar Didion was minder optimistisch. Juristen vochten namens beide partijen wekenlang om een paar honderd stemmen, volgens haar het logische gevolg van het `meedogenloos elimineren van ieder risico, zodat de strijd door het kleinst mogelijke electoraat kon worden beslist.' De kiezers kregen als thema's nostalgie en de verloedering van Amerika voorgeschoteld. Dat de helft van de electoraat niet de moeite nam om te stemmen verbaast Didion niet.

Op haar analyse valt weinig af te dingen, hoewel ze Clintons gedraai vóór de Lewinsky-affaire negeert. Als een politicus zich immers aanpaste aan de Republikeinse politieke agenda, dan was hij het wel. Na de voor de Democraten rampzalige tussentijdse verkiezingen van 1994 wist Clinton het vege lijf te redden door de agenda van de `Republikeinse Revolutie' over te nemen. Ook hij richtte zijn aandacht bij de presidentsverkiezingen van 1996 op `gezinnen in de buitenwijken', zonder wier steun geen Amerikaanse politicus een kans heeft.

Didions sympathie voor Clinton berust dan ook niet op zijn politiek of zijn beleid, maar opmerkelijk genoeg juist op zijn karakter. Als enige politicus weet hij zich aan de rituelen van het spel te onttrekken, als enige beschaamt hij de verwachtingen van journalisten, als enige Democraat brengt hij de Republikeinen tot razernij. Voor iemand als Didion, die tijdens haar jeugd `in benzinestations rondhing' en zich aangetrokken voelde tot klasgenoten `die zich ophielden aan de rafelige economische en sociale randen' van Amerika, was hij de enige politicus die tot de verbeelding sprak. In een samenleving waar zes op de tien huwelijken stranden en waar het gezin vooral in politieke reclamespotjes floreert, deed zijn karakter verrassend authentiek aan. De anderen, die het spel volgens de regels spelen – de moraalridders en de journalisten `die met spanning wachten hoe het verhaal zich ontvouwt' – worden door haar dodelijk gekritiseerd, inclusief de beroemde Beltway-correspondent Bob Woodward, die zich horig opstelt aan het politieke bedrijf. Political Fictions is een genadeloos boek, over een decennium waarin Amerika het politieke navelstaren tot kunst had verheven. Het lijkt, na 11 september, alweer lang geleden.

Joan Didion: Political Fictions Knopf, 338 blz. ƒ69,–