Vooruit... Geel!

Is het warenhuis de nieuwe wereld, of de hedendaagse versie van Dante's hel? Magazijn de Bijenkorf doet naar eigen zeggen in begeerte en de literatuur is het daar mee eens.

Het valt nog best mee, de drukte voor de entree van de Amsterdamse Bijenkorf op de eerste van de jaarlijkse drie Dwaze Dagen, de dagen waarop het warenhuis met stuntprijzen van zijn overtollige waar tracht af te komen. In de grijzige ochtend, iets voor achten is het, staan iets meer dan honderd man te wachten, maar als binnen de lichten aangaan en de deuren worden geopend, schuift de menigte probleemloos naar binnen.

Daar klinkt luid Herman van Veens haastlied Opzij opzij opzij, maak plaats, maak plaats, maak plaats, als om de nog slaperige klanten een beetje op te porren. Hoewel: zo onbetuigd laten die zich nou ook weer niet. Een vrouw staat verbeten in een bak truien te zoeken, terwijl er op dit uur nog niemand in de buurt is die dat ene koopje onder haar handen vandaan kan grissen. Mannen in pak proberen er koel en professioneel uit te zien met hun aktentas onder de ene, en stapels in plastic verpakt ondergoed onder de andere arm. Buiten, op de Dam, komen nu toch meer mannen en vrouwen met verhoogde snelheid aanlopen. En het is wonderlijk, maar waar; al na tien minuten is er geen hoekje van het warenhuis meer rustig en hebben alle mensen ook al iets gekocht. Werkelijk iedereen loopt met een gele plastic tas in zijn handen. Buiten is de dag nog grijs, binnen shopt men erop los en straalt het geel in al zijn glorie – geel is de kleur die bij de Dwaze Dagen hoort.

Let wel; er wordt hier duidelijk geshopt en niet gewinkeld. Het woord winkelen wekt associaties met boodschappen doen, met het kopen van een pak suiker of een halfje bruin. En daarmee heeft het dynamische shoppen niets te maken. Bij shoppen gaat het, om met de Dwaze Dagen-advertentie van De Bijenkorf te spreken, om `Een persoonlijke navigatie telefoon, Een ultradunne uitbreidbare Palm OS PDA of De helft van uw gewicht als kortingspercentage op een brede collectie gelabelde gordijnstoffen'. Het draait om de onverzadigbare hang naar spullen die het leven veraangenamen. Om het grote graaien, kortom.

Niet dat iemand in calvinistisch Nederland hier nog van opkijkt. De Bijenkorf gebruikte als achtergrond voor haar krantenadvertentie een paginagrote foto van een omhoogblikkend oog waarin een vonk te zien is, de vonk van kooplust en begeerte, van vreugde om de aanschaf die op stapel staat. Maar in de ogen van de ochtendklanten van de Bijenkorf is die vonk niet te zien. De mensen zijn kalm, terzake, hoogstens hebben ze iets haastigs over zich. Als ze al iets uitstralen, dan is dat routine.

De Bijenkorf is dan ook een winkeltje van niks vergeleken bij Het Paradijs voor de Vrouw, die `haard van warm gloeiend, tintelend licht' die Emile Zola beschrijft in zijn gelijknamige roman uit 1883. ,,Dát is nog eens een warenhuis', zegt de armetierige Denise, de heldin van het boek die haar geluk komt zoeken in Parijs en Het Paradijs flonkerend als een vuurtoren ziet oprijzen op een straathoek van de verder sombere, donkere stad. Betoverd is ze door de overdaad aan kleuren en stoffen, licht en glinstering die in niets lijkt op wat ze in haar alledaagse ploeterbestaan gewend is. En dat is ook precies de bedoeling van de eigenaar van Het Paradijs voor de Vrouw, de geraffineerde zakenman en Don Juan Octave Mouret. ,,Verblind ze, zegt hij op een van zijn rondes tegen een ondergeschikte die bezig is met het rangschikken van zijde; `Maar waarom probeert u toch het oog te strelen, wees toch niet bang, verblind ze.. vooruit, Rood! Groen! Geel!''

In het warenhuis van Zola's verbeelding wil je je onmiddellijk verliezen. Wie daarentegen de klanten zouden kunnen zijn van Het Centrum, het warenhuis dat de kern is van Het schijnbestaan, het nieuwe boek van de Portugese Nobelprijswinnaar José Saramago, is helemaal niet duidelijk. Zo tegen het eind van zijn boek geeft Saramago lange lijsten van wat er allemaal te krijgen en te doen is in zijn Centrum aan `elektronische spelen, ballonnen, fonteinen en andere waterwerken, podia, hangende tuinen, affiches, reclameborden en paspoppen', maar de aanlokkelijkheid van dat alles blijkt nergens. Saramago's sympathie ligt dan ook niet bij zijn warenhuis, maar bij zijn hoofdpersoon, de pottenbakker Cipriano Algor, wiens leven door Het Centrum kapot wordt gemaakt. In zijn verontwaardiging daarover vergeet Saramago iets cruciaals. Uit zijn boek blijkt nergens hoe zijn Centrum zo machtig heeft kunnen worden. De macht die Cipriano zo in het nauw heeft gedreven – kooplust – krijgt geen gezicht.

Vandaar misschien dat Het schijnbestaan een wat moeizame affaire is geworden, terwijl In het Paradijs voor de Vrouw anderhalve eeuw na dato nog altijd een verrukkelijk boek is. Zola put zich dan ook uit in beschrijvingen van de watervallen aan stoffen, de kleuren en de lichten van Het Paradijs, dat in zijn gigantische afmetingen en overdonderende pracht hel en hemel tegelijk is. Wie er binnenkomt, slaat het oog omhoog, zoals in de advertentie uit De Bijenkorf, en hij wordt tot in het diepst van zijn ziel geraakt. Bleek en duizelig van begeerte leggen de vrouwen – warenhuizen waren in hun begintijd grote manufacturenhuizen en hun klandizie bestond inderdaad nagenoeg alleen uit chique dames die zich op een openbare markt nooit vertoonden – kilometers af door Het Paradijs voor de Vrouw, met voor zich uit de slovende bediendes die hun pakjes moeten sjouwen. Het is hun onmogelijk weerstand te bieden aan hun koopzucht, die hen verteert als een koorts, bijna een ziekte. Geen wonder dat zojuist de kleptomanie zijn intrede heeft gedaan, ,,een nieuwe zenuwziekte waarvan een psychiater een overzicht had gegeven, en waarbij hij vaststelde dat het 't directe gevolg was van de op de spits gedreven verleiding in de grote warenhuizen.'

Zola schreef In het Paradijs voor de Vrouw in de tijd dat Parijs in snel tempo veranderde en overal grote warenhuizen gebouwd werden. Het boek is een deel van Zola's cyclus Les Rougon-Macquart, waarin hij visoenen van een nieuwe, betere wereld wilde laten zien. Hij verklaart zich dan ook niet voor of tegen, maar als een onderzoeksjournalist schetst hij, op basis van de gesprekken die hij voerde in de nieuwe koopkathedralen als Au Bon Marché en Saint Joseph, precies de gevolgen van het ontstaan van de warenhuizen voor alle betrokkenen. De klandizie wordt steeds schaamtelozer in haar begeerte. Het personeel, dat in erbarmelijke omstandigheden op de zolder van het warenhuis in kleine kamertjes is weggepropt en dertien uur per dag moet werken, heeft nauwelijks een onderlinge band omdat ieder in genadeloze competitie voor zijn eigen provisie moet vechten.

Bourras, snijder van en handelaar in paraplustelen – hij is vooral goed in het snijden van hondenkoppen op parapluhandvatten, maar tegen de goedkope massaproductie legt zijn ambacht het af – , wordt letterlijk de grond onder de voeten weggegraven. Bourras heeft een huurcontract voor nog negen jaar, maar als Het Paradijs opnieuw uitbreidt, waarbij men 's nachts doorbouwt zodat de toch al tot het uitsterste getergde firmanten zelfs geen slaap meer wordt gegund, graaft men gewoon een kelder onder zijn winkelhuis door. Eeuwenoude, organische bedrijfsstructuren worden in een ommezien vernietigd. Het verblindend vuur van het warenhuis is te sterk, de aantrekkingskracht ervan te groot.

Zola zag al deze verwoestende gevolgen heel goed, maar met zijn hoofdpersoon Denise vond hij dat de nieuwe tijd eenvoudigweg niet te stoppen was. Denise is ,,voor de grote warenhuizen, door haar instinctieve liefde voor alles wat logisch was, en levend'. Haar redenen? ,,De logische ontwikkeling van de handel, de dwang van de moderne tijd, het grootse van deze nieuwe vormen, ten slotte het steeds groter wordende gemak voor de klanten.'

Daar denkt José Saramago heel anders over. Het warenhuis van zijn verbeelding, Het Centrum, is van het soort dat zelfs de bandeloze ondernemer Mouret niet voor mogelijk had gehouden; een shopping mall van het in Amerika gangbare type, waar niet alleen alle mogelijke producten, maar ook tientallen vormen van vertier, zelfs middagjes strand en andere `natuurlijke sensaties' te koop zijn. Zoals Zola het Paradijs voor de Vrouw als een kathedraal omschreef, zo is Het Centrum zelfs goddelijk van aard, als `de perfecte distributeur van materieel en geestelijk goed'.

Ironie, dat is duidelijk, want in werkelijkheid wil Saramago laten zien dat Het Centrum, een zich almaar uitbreidend, streng bewaakt conglomeraat van gebouwen dat zich bevindt in het midden van een Agrarische en een Industriële Cirkel, niets minder is dan de hedendaagse versie van Dante's hel. Het Centrum glanst, jazeker, maar in die glans schuilt nu juist het gevaar. Alles is er nep en voorgeprogrammeerd en voor alles moet betaald worden, zowel voor de producten, als voor wat vroeger vanzelfsprekendheden waren, zoals frisse lucht, bewegingsvrijheid of een bezoek aan het strand. Winkelen is in de wereld waar Het Centrum staat de enig overgebleven publieke activiteit, precies zoals in de toekomstvisioenen van de architect Rem Koolhaas. Alleen: in plaats van het leven te veraangenamen, heeft dit Centrum het leven overgenomen, althans voor degenen die het geld hebben om zich er te handhaven. Wie erbuiten valt, moet zich zien te handhaven in de kale, lege jungle buiten de muren van het warenhuis, dat met zijn monopolie en zijn enorme zuigkracht alle maatschappelijke structuren in zijn omgeving verwoest. Voor Cipriano's ambachtelijke kruiken is geen plaats meer; het centrum verkoopt plastic aardewerk, goedkoper en duurzamer in het gebruik. Cipriano's leven is in één klap zinloos.

Hoe ernstig de zaken er wel niet voor staan, benadrukt Saramago nog eens met de clou van zijn boek: diep onder de grond van het warenhuis blijkt zich Plato's grot te bevinden, waar ooit de mensheid de Ideeën aanschouwde, de diepe waarheden des levens waarvan de schaduwen op de achterwand van de grot te zien waren wegens een brandend vuur in de grot. Het spreekt vanzelf dat het vuur er nu gedoofd is, de mensen gestorven en de Ideeën voorgoed buiten het bereik van de mensheid. Het schijnbestaan heeft alles overwonnen, Plato's grot wordt door het Centrum geannexeerd als toeristische attractie; nieuwe fun voor de verwende consument.

Het is aardig om te zien hoe weinig er in anderhalve eeuw warenhuis eigenlijk veranderd is in het denken over dit boegbeeld van de vrije markt. Om het afschrikwekkend futuristische van zijn warenhuis te schetsen, grijpt Saramago soms regelrecht terug op de realiteit uit de tijd van Zola – in Het Centrum is het rechteloze personeel intern, net als ten tijde van Het Paradijs van de Vrouw gebruikelijk was. De enorme afmetingen van het nieuwerwetse kooppaleis, die al wat menselijk en organisch is geheel ontwrichten en waarvan het massale geen ruimte laat voor identiteit van mens of product, springt beide schrijvers in het oog, net als het glanzende decor dat slechts geldelijk gewin tot doel heeft en het gesloof en de uitbuiting aan de achterzijde verhult.

Maar in die honderdtwintig jaar heeft het literaire warenhuis wel alles aan status ingeboet, nu niet het vooruitgangsdenken, maar juist de keerzijdes daarvan in schrijverskringen zwaar tellen. In 1883 zag Zola Het Paradijs van de Vrouw als blijk van al het wonderlijks dat de mens vermag. In 2001 is het nieuwtje ervan af. Wat heet; Saramago's Centrum is een geheimzinnige politiestaat die de mens en alles wat hem van waarde is dreigt te vernietigen.

Daarmee heeft de 79-jarige, eerbiedwaardige Nobelprijswinnaar Saramago zowaar de eerste antiglobalistenroman geschreven, de literaire pendant van Naomi Kleins No Logo. In dat boek, dat vorig jaar verscheen en een belangrijke rol speelde bij de publieke erkenning van de nog jonge antiglobalistenbeweging, worden de verwoestende effecten van de grote shoppingmalls – geen werkelijke openbare ruimtes meer, verwoesting van de binnensteden, indoctrinatie van de consument, machtsmisbruik waar het arbeids- en productievoorwaarden betreft, het annexeren van elke tegenkracht – minstens zo kleurrijk geschilderd.

Naomi Klein roept aan het eind van haar boek consumenten op weer burgers te worden. Saramago laat zijn pottenbakker aan het slot van zijn boek gewoon ontsnappen – weg van het hele winkelgedoe, op de vlucht voor de hedendaagse wereld. Dat is jammer, want zo loopt de schrijver samen met zijn pottenbakker weg voor het probleem, te weten: hoe te leven met onze levensstijl. Klein noch Saramago spreekt zich uit over de begeerte die Zola zo bloemrijk weet te beschrijven; de begeerte waar we onszelf in onze Dwaze Dagen mee klem hebben gezet.

Misschien gaat Saramago daarmee wel voorbij aan een fenomeen waarvan de eerste aanzet te zien is in de futloosheid van de klandizie op de Drie Dwaze Dagen van de Bijenkorf. Is er eigenlijk nog iets te bespeuren van de koorts die Zola beschreef in In het Paradijs voor de Vrouw, die rillingen bij het zien van overvloed, die gretige handen? Zijn die Dagen eigenlijk nog iets anders dan een achterhaald ritueel waar het vuur allang uit is verdwenen? En horen we nog wel eens iets over kleptomanie? Vergissen we ons, of zijn dit de eerste tekenen van verzadiging en loopt bij de voorhoede het tijdperk van het grote shoppen alweer op zijn eind?

Het lijkt erop, als je afgaat op The Corrections, de pas verschenen roman van de Amerikaanse schrijver Jonathan Frantzen. De moeder in deze familieroman, Enid, zou een dankbaar slachtoffer geweest zijn voor het Paradijs voor de Vrouw, makkelijk te imponeren als ze is door alles wat met hebben en status te maken heeft. Maar in het gezin van haar zoon Gary, waar de kelder lijkt op de dump van een winkel voor elektronisch speelgoed en de vader het zuivere materialisme zijn enige godsdienst noemt, is het verzadigingspunt overduidelijk bereikt. Het oneindige bezit heeft de gezinsleden tot een stel overprikkelde dieren gemaakt, dat zich alleen nog maar verveelt, nergens meer door geboeid is en elkaar het leven zuur maakt. Anhedonia, noemt Gary de ziekte waar hij aan lijdt. Het onvermogen om nog te genieten.

Gary is moe; moe van alles, maar vooral moe van de koopwedloop, `the identical pursuit of feeling extraordinary'. Hij is duidelijk toe aan een zondagssluiting. Het is de vraag of hij nog gehoor zou geven aan de recente oproep van president Bush, om in deze tijden de economie te redden door veel te kopen. Het antwoord is waarschijnlijk nee. Als Frantzen inderdaad het feilloze portret van de Amerikaanse condition humaine heeft getekend dat men hem toeschrijft, dan is Bush' aansporing vergeefs geweest. Zelfs in de koopkathedralen slaat op den duur de ontkerkelijking toe.

`In het Paradijs voor de Vrouw' van Emile Zola is in vertaling alleen nog antiquarisch verkrijgbaar. `Het schijnbestaan' van José Saramago is verschenen bij Meulenhoff, `The Corrections' van Jonathan Frantzen bij Fourth Estate, `No Logo' van Naomi Klein bij Flamingo.