Vertalers als aanjagers

`Bemiddelaar' is een begrip waarover in de literatuurgeschiedenis de laatste tijd veel wordt geschreven. Bedoeld wordt daarmee iemand die als contactfiguur optreedt tussen de cultuur van verschillende, vaak naburige landen. Rond 1900 laat de Duitse uitgeverij een explosieve groei zien: de boekproductie verdrievoudigt bijna tussen 1879 en 1914. Diezelfde periode laat de opkomst zien van een groep vertalers die de functie van bemiddelaar tussen de Nederlandstalige literatuur en Duitsland vervulden. Vier representatief geachte leden van die groep zijn Paul Raché, Wilhelm Spohr, Else Otten en Otto Hauser. Welke eigenschappen van de Nederlandstalige literatuur vonden zij zo belangrijk en welk beeld wilden zij met hun vertalingen van Nederland en Vlaanderen in Duitsland geven? Jaap Grave, die is verbonden aan de universiteit van Regensburg, plaatst in Zulk vertalen is een werk van `liefde' het werk van de vier door hem op overtuigende gronden gekozen vertalers in een verhelderende biografische context. Hij brengt in zijn bevindingen verdieping aan door bovendien een brede cultuur-historische achtergrond te schetsen. Zijn studie is gebaseerd op intensief archiefonderzoek, waardoor veel tot dusverre onbekende gegevens boven water zijn gekomen.

De positie van vertalers was veelomvattender dan tegenwoordig, omdat zij vaak zelf op zoek gingen naar te vertalen boeken, contacten met auteurs onderhielden en in veel gevallen ook zelf de vertaalrechten kochten. Naast de vertalingen die ze publiceerden, vroegen ze vaak ook via artikelen en recensies aandacht voor de door hen vertaalde auteurs. De keuze van een vertaler was voor een auteur daarom belangrijk, omdat de grootte van het netwerk van een vertaler voor een deel het succes van de auteur bepaalde. Daarnaast was het voor Nederlandse auteurs belangrijk zo snel mogelijk de vertaalrechten van hun boeken vast te leggen, omdat hun werk buiten onze grenzen vogelvrij was doordat ons land in deze periode nog niet was aangesloten bij de Berner Conventie.

Grave gaat uit van de vertalers. De vier door hem gekozenen hadden ieder eigen ideologisch-bepaalde bedoelingen met hun vertalingen. Zo had Spohr alleen belangstelling voor de thematiek van Multatuli en kon de overige Nederlandse literatuur hem gestolen worden; Hausers vertalingen dienden uitsluitend om de superioriteit van het Noordse ras te bevestigen. Of de Nederlandse auteurs zich van deze verschillen bewust zijn geweest, wordt uit Graves studie niet duidelijk. Hun was het, lijkt het, om roem en financieel gewin te doen. Vandaar dat in deze periode veel vertaalde auteurs als Frederik van Eeden, Louis Couperus of Herman Heijermans zich niet verbonden aan één vertaler, maar de vier door Grave bestudeerde én andere vertalers zonder scrupules tegen elkaar uitspeelden om de beste voorwaarden te kunnen bedingen.

Het zou nuttig zijn als Grave in de toekomst een vervolg schrijft, omdat tijdens en na 1914 de Duitse belangstelling voor vooral de Vlaamse literatuur een ander, politiek-gericht karakter krijgt.

Jaap Grave: Zulk vertalen is een werk van `liefde'. Bemiddelaars van Nederlandstalige literatuur in Duitsland 1890-1914. Vantilt, 360 blz. ƒ49,90