Topman moet zich bewijzen

De hoge salarissen en premies die managers ontvangen zijn, volgens de bedrijfsethicus E. Kimman (NRC Handelsblad, 8 september), een gevolg van de Amerikanisering van onze samenleving. De VS met hun ,,op onzachtzinnige exploitatie gebaseerde kapitalisme'' en de maximering van de beurswaarde (shareholders value) zou de oorzaak zijn van de ,,snelle denivellering'' van inkomens alhier. In werkelijkheid heeft Europa noch Amerika een kapitalistisch systeem, maar een gemengde economische orde van marktwerking en overheidsregulering. Wat de beste mengverhouding is – ook in Nederland – onderwerp van studie.

Het inderdaad wat onsympathiek klinkende maximizing shareholders value is evenwel als bedrijfsdoelstelling in de VS juist ingevoerd om managers gespitst te houden op het bedrijfsbelang en niet uitsluitend op hun eigen positie en de omvang van hun staf. Het Europese bedrijfsleven is dit aan het overnemen – zelfs in Frankrijk –, wat een welkome breuk betekent met de wat schimmige wijze van zakendoen in het verleden. Amerikanisering heeft hier een duidelijk positief effect. Zelfs een ethicus moet natuurlijk wel weten waarover hij praat. In Nederland is de inkomensverdeling sinds 1972 verbeterd: de 20 procent armsten hebben 1,5 procent meer van het nationaal inkomen, de 20 procent rijksten 3 procent minder. Dit zijn cijfers van de Wereldbank.

Van fundamenteler belang zijn de resultaten van het onderzoek van J. Tinbergen (1903-1994) naar de productieve bijdrage van diverse beroepsgroepen in het nationaal inkomen van een aantal westerse landen. Op basis van gegevens uit de werkelijkheid en econometrische berekeningen kwam Tinbergen tot de conclusie dat deze bijdragen in het algemeen positief zijn, bijvoorbeeld voor productiewerkers en kantoorpersoneel, maar niet voor het management. De bijdrage van managers aan de nationale welvaart blijkt nihil te zijn (in wetenschappelijk jargon: niet significant van nul te onderscheiden).

Dit betekent, zo concludeerde Tinbergen verder, dat het inkomen van managers helemaal niet door de markt wordt bepaald, zoals vaak wordt geclaimd; integendeel, managers eigenen zich kennelijk inkomen toe op basis van hun machtspositie in de bureaucratische hiërarchieën van grote bedrijven. Tinbergen beveelt dan ook decentralisering van de besluitvorming aan; door kleinere eenheden zouden topzware hiërarchieën worden ontmanteld en productiviteit en arbeidsvreugde toenemen. Onze managers zullen dus moeten aantonen dat zij hun inkomen ook daadwerkelijk verdienen. Hun propaganda over `onmisbaarheid' en een `dreigend tekort aan toptalent' is al lang verwezen naar Fabeltjesland.

Tinbergens onderzoek biedt derhalve een concreet aangrijpingspunt voor beleid inzake de `excessieve zelfverrijking' van managers – om met Lodewijk de Waal van de FNV te spreken. Begin deze zomer zei premier Kok in de Tweede Kamer het ,,bedenkelijk'' te vinden dat de topmanagers van hun werknemers loonmatiging eisen, maar zichzelf daar niet aan houden. Deze zorg gaat kennelijk dieper dan de wens tot het overleggen van productiviteitsberekeningen ter ondersteuning van inkomenseisen of verlangens; de premier raakte met zijn opmerking aan de cohesie van de samenleving.

De premier heeft op dit punt het gelijk aan zijn kant. Wil een maatschappij niet verloederen en uiteenvallen, dan is het in ieder geval nodig dat de leidende figuren het goede voorbeeld geven. Van een topmanager van Philips mag bijvoorbeeld worden verwacht dat zijn tijd en aandacht uitgaan naar de problemen en vooruitzichten van zijn bedrijf; maar als hij de indruk wekt dat hij daarvoor nauwelijks tijd heeft en vooral gespannen naar een beeldscherm tuurt om het verloop van de beurskoersen te volgen, en zijn aandacht vooral uitgaat naar nog meer geld vergaren, dan is zijn voorbeeldfunctie voor verbetering vatbaar. Het zijn niet alleen de gevaren van buitenaf die dreigen – als we niet oppassen wordt onze cultuur ook van binnenuit uitgehold.

Prof. dr. J.Kol is verbonden aan de economische faculteit van de Erasmus Universiteit Rotterdam.