Thee met een karakter

De stewardess op Swissair vlucht 101 van New York naar Zürich serveerde een mes van plastic, de rest van het bestek bleek gewoon metaal. Juist de oorlog tegen terrorisme zit in de details. Op vlucht 520 van Zürich naar Düsseldorf was niet alleen de vork, maar ook het mes weer van metaal. De zakenmannen en ik sneden in onze flensjes. We vertrouwden elkaar. De huidskleur hielp mee. En het mes waarmee de haren op onze wangen en kinnen zeer recentelijk nog zorgvuldig waren afgesneden.

Op het vliegveld van Düsseldorf wilde een douanebeambte in mijn koffer kijken. Ik smokkelde een Apple-computer mee voor een bevriende relatie in Amsterdam.

,,Legt u uw koffer maar even hier'', zei de douanebeambte.

Ik gooide mijn koffer van dertig kilo zo op de tafel dat hij er aan de andere kant weer afvloog. Witheet van woede was ik. Dat iemand in mijn koffer wilde kijken beschouwde ik als intense vernedering.

Toen de koffer voor de derde keer op de grond dreigde te vallen, hield de douanebeambte de val tegen door zich aan mijn koffer vast te klampen. In zijn ogen zag ik de milde ontreddering van iemand die niet wist of hij te maken had met een figuur die dreigde te ontsporen, die misschien al ontspoord was. Iemand kortom die een dwangbuis verdiende. Een wereldbeeld: ik zie het leven als een gebeurtenis waarbij anderen er voortdurend op uit zijn om jou te vernederen, om hun plaats in de hiërarchie veilig te stellen of te verbeteren. Het gaat er om die vernederingen te voorkomen. Macht is een sleutelwoord. Ik zie seks als een afgeleide, een gevolg misschien wel, van macht, niet omgekeerd. Eerst komt de macht, dan de seks. Oorlog is zo gezien een ontspoorde vorm van seksualiteit. Eerst komt de macht, dan de dood.

,,Is dat uw computer'', vroeg de beambte.

,,Jawel'', zei ik.

,,Wat doet u?''

Ik zwaaide met een perskaart. Hij sloot de koffer.

De macht van het woord. Literatuur is ook een mes, eentje waarmee je bij voorkeur in eigen vlees moet snijden. Mijn vlees snijdt lekker.

Een Turkse taxichauffeur pikte mij op in de aankomsthal. Hij bleek geen taxichauffeur, geen echte in ieder geval. Zijn Mercedes was oud, zijn Duits onverstaanbaar, zijn gevoel voor richting nihil. In Duisburg – en daar moest ik zijn – was die ochtend een bom uit de Tweede Wereldoorlog gevonden. Het toeval laat me nooit in de steek.

Voor een Grieks restaurant liet de illegale chauffeur mij uit zijn auto stappen. Dichterbij konden we per auto niet komen. Ik sleepte met mijn koffer door de verlaten straten van Duisburg.

's Middags om vijf uur werd ik in mijn hotel opgehaald door Gerd van het literatuurbureau in Gladbeck en een klarinettist met wie ik de komende dagen zou optreden.

De klarinettist had de wereld afgeschreven. Hij had zich teruggetrokken op een boerderij in Mecklenburg met wat ganzen, kippen, een jongere vrouw en twee dochters. Voor ieder optreden gingen we in de ijssalon naast de bibliotheek ijs eten en we sloten weddenschappen af hoeveel mensen er zouden komen en wat de gemiddelde leeftijd zou zijn. De rituelen van het optreden zijn net zo belangrijk als het optreden zelf. Ook ik betrap mijzelf af en toe op de behoefte aan een familie, maar na een optreden of vijf heb ik mijn portie weer gehad.

Voor ik naar Nederland ging had ik nog een afspraak in Düsseldorf met twee kennissen. Een ervan is regisseur. Hij zei: ,,Natuurlijk word ik verliefd op de spelers die ik regisseer, maar jij wordt toch ook verliefd op jouw karakters?''

Precies daar begint het probleem. Voor mij is een volgende roman toekomst genoeg, meer toekomst zou me zorgen baren, maar de ander die wil misschien een leven? Samen. Hoeveel roman gaat er in een mens, of beter gezegd, uit een mens, dat is mijn existentiële vraag.

,,Ik zou jou graag willen regisseren'', zei de regisseur, ,,ik heb nog nooit een duivel geregisseerd.''

,,Jij bent ook nog nooit op de duivel verliefd geworden'', zei ik.

,,Wat is de duivel?'' zei de regisseur, ,,een gevallen engel.''

De volgende ochtend nam ik een taxi van Düsseldorf naar Amsterdam. Ik was ziek, maar ook als ik niet ziek was geweest had ik een taxi genomen. Ik ben altijd bereid mijzelf de vernederingen van het openbaar vervoer te besparen.

De receptionistes van hotel Ambassade waren buitengewoon vriendelijk en discreet. In Nederland begint het optreden allang voor het optreden. Eigenlijk is in Nederland zijn één groot optreden.

Maandag lunchte ik met Hugo Camps in het Amstel Hotel. Op zijn verzoek, zeg ik er haastig bij.

Hij zei: ,,Ik had u eigenlijk naar Antwerpen mee willen nemen om een patrijsje te eten.''

Hij zei ook: ,,Ik ben gelukkiger met voedsel dan in de liefde.''

Dat was dus een mooie lunch.

Weinig voelt eenzamer dan een dag vol interviews.

Dinsdag had ik afgesproken thee te gaan drinken bij mijn karakter thuis. Normaal kom ik nooit bij mijn karakters thuis, ik ontmoet ze op neutrale plekken. Maar deze stond erop dat ik langs zou komen.

Ik beklom acht trappen, misschien wel negen. Wat neem je mee voor je personage? Ik had voor bonbons gekozen.

Ze stond in de deuropening.

,,En?''

,,Nieuwbouw'', zei ik, ,,dat had ik niet verwacht.''

,,Mijn huisgenote is thuis'', fluisterde ze in mijn oor.

,,Aha'', zei ik, ,,nou leuk.''

We betraden de keuken. Twee appelflappen zaten in de oven.

Zo huiselijk gaat het er soms aan toe tussen de schrijver en zijn personage. Het is misschien ontluisterend, maar het zou fout zijn deze details te verzwijgen. Juist ook omdat daar, in die appelflappen, de andere wereld begint. De wereld die ik nog wel begluur, maar die ik niet meer betreed.

We gingen op de bank zitten. De kamer van mijn karakter was aangenamer dan het trappenhuis en de keuken hadden doen vermoeden.

Ik zou graag mijn ontroering hier adequaat willen verwoorden, sterker nog, ik zou graag willen dat u mijn karakter in haar keuken thee had kunnen zien zetten. In een pannetje, omdat ze meende dat het koffiezetapparaat het niet meer deed, terwijl ze gewoon vergeten was de stekker in het juiste stopcontact te steken, maar bepaalde gebeurtenissen en ontroeringen moeten privé blijven. Ook om sentimentaliteit te voorkomen die mij onbehagen zou bezorgen.

Bovendien wist ik – het verleden zit vol interessante parabels en wijze levenslessen – dat hier de pijn begon. Vanaf nu was verdwijnen niet meer vanzelfsprekend.

We gingen op de bank zitten en ik bekeek een fotoalbum van mijn karakter, over haar leven als achttienjarige. De appelflappen werden weer koud. Meer ontroering.

,,Ik hoor mijn huisgenote'', zei ze, ,,wacht, ik zal je voorstellen.''

Een welkom intermezzo.

De haren van de huisgenote waren nog nat. Ze stond op het punt fruit uit te gaan persen.

,,En?'' vroeg mijn karakter, toen we weer op de bank zaten.

,,Ze moet haar haren afknippen, ze moet zichzelf iets beter verzorgen.''

We aten de appelflappen. Eigenlijk moest mijn karakter terug naar haar werk. Je bent geneigd het te vergeten, ze hebben ook een privé-leven, personages.

,,Ik vind het helemaal niet leuk als die stukken in de krant niet over mij gaan'', zei ze, ,,dan lees ik ze heel vluchtig.''

Meer gegiechel.

,,Zal ik vanavond nou nog komen?''

,,Ik zou het niet doen'', zei ik.

Je moet ze verborgen houden voor de buitenwereld, je karakters. Je moet ze beschermen.

,,Nog even zoenen'', zei mijn karakter.

Ik borg het mes van de literatuur op. Misschien is het meer een blikopener. Zonder ben ik naakt.

,,En je werk?''

,,Vandaag is er toch niets te doen'', zei mijn karakter.

Ik rook mijn personage en ik vergat dat ik dit allemaal kapot zou maken. Of, wie weet, zou zij mij kapot maken. Eindelijk, het werd tijd. Het eigen vlees verlangt soms ook naar het mes van de ander.