Ogenloze schoften

Deze herfst worden er weer avond aan avond ogen uitgeprikt op het toneel, in `Oidipous' en `King Lear'. `Het is gruwelijker dan alle moordscènes van Shakespeare.'

Een oog, weten ingewijden, is gemakkelijk uit het menselijk gelaat te rukken. Met nagels aan grijpende vingers is het een handeling van niets. Je kunt ook duim en wijsvinger achter de oogbal manoeuvreren en die vervolgens samenklemmen. Dan springt het oog eruit.

Shakespeares tragedie King Lear (1608) telt zo'n gruwelijke `oog-uitsteekscène', nadat de hertog van Cornwall heeft gezworen dat hij de graaf van Gloucester wegens hoogverraad blind zal maken. Hij zegt: ,,Zien zul je nooit meer. Houd de stoel vast, mannen! Ik zal je ogen met mijn voet vertrappen.'' (Vert. Frank Albers) In de oorspronkelijke tekst klinkt dat niet minder dreigend: ,,See't shalt thou never. Fellows, hold the chair. Upon these eyes of thine I'll set my foot.'' Shakespeare geeft niet eens een regieaanwijzing.

Cornwall is getrouwd met een van de dochters van de oude Koning Lear. Deze Regan bijt haar echtgenoot toe: ,,Eén oog? Dan lacht het andere het uit dat ook.'' Beide ogen worden uitgestoken, Gloucester schreeuwt van de pijn: ,,O wreedheid. Goden, goden!'' Bloed stroomt over zijn wangen. Cornwall hoont hem het kasteel uit: ,,Weg met die ogenloze schoft.'' En Gloucester fluistert: ,,Alles zo zwart en troosteloos?'' In een volgend bedrijf dwaalt de blinde Gloucester langs de kliffen van Dover, behoed en geleid door zijn trouwe zoon Edgar. zijn andere zoon, bastaard Edmund, spande met Cornwall tegen hem samen.

Ik heb het moment van het uitsteken van de ogen vaak gezien, maar altijd weer kijk ik door de kiertjes van mijn vingers door naar het tafereel. Het meest gangbare wapen is de dolk, maar er zijn andere mogelijkheden.

Ik herinner me dat Cornwall en zijn gemalin oesterschelpen met een mes openden en vol genot de inhoud proefden, in de King Lear van Toneelgroep Amsterdam in 1990. Op dat ogenblik kwam Gloucester het toneel op. Kalm stond Cornwall op, het korte oestermes in de hand geklemd. Hij liep op de graaf af, stootte het mes in de ogen.

Nog afstotender ging het bij het Ro Theater toe, in 1980, in de legendarische voorstelling met Johnny Kraaijkamp als Lear. Voor de bewuste scène was voorzien in een soort verrekijker van twee stalen buizen, die Cornwall op Gloucesters ogen plaatste. Wat de toeschouwers niet wisten, was dat de onderzijde, dus het deel dat rustte op de ogen, was dichtgelast. Met een lange naald prikte de acteur via de koker Gloucesters ogen uit. Ze stuiterden over de grond en werden vertrapt. De ogen waren echt maar niet van de acteur: voor elke voorstelling kwamen er van het abattoir twee verse koeienogen.

We zullen nooit weten hoe het blindmaken in Shakespeare's tijd, de late zestiende en vroege zeventiende eeuw, werd uitgebeeld.

De eerste getuigenissen van de opvoering van het shakespeareaans toneel gaan terug tot de negentiende eeuw. In die tijd, en ook daarna, was het niet gebruikelijk zo'n gruweldaad aan het publiek te tonen. Het uitsteken gebeurde off stage. De befaamde Engelse regisseur Peter Brook verbrak in 1962 die etiquette door Cornwall met een van zijn sporen het oog eruit te laten wrikken. Sindsdien heeft de negentiende-eeuwse stilering en suggestie plaatsgemaakt voor een onverbiddelijker en realistischer uitbeelding, waarin vaak niets aan de verbeelding van de toeschouwer wordt overgelaten.

Acht jaar later zette Brook zich aan een verfilming van King Lear. De gewraakte scène speelt zich af in een ondergronds vertrek, een kerker van Gloucesters eigen kasteel. Houtvuur flakkert. Het lijkt wel een smidse, Cornwall laat traag zijn blik dwalen over een keur aan werktuigen. Hij grijpt een korte beitel, loopt op de vastgebonden Gloucester af en steekt rap toe. Hij staat met zijn rug naar de camera. Na een ijselijke gil van Gloucester is het beeld enkele tellen zwart. De wereld kantelt weg, lijkt Brook te willen zeggen. De blindeman ervaart niets dan donkerte en duisternis. Het opmerkelijke is dat er van dit zwarte filmbeeld een wonderlijke rust uitgaat. Alsof blindheid niet alleen met pijn en gruwel van doen heeft, maar ook met iets sereens.

Het menselijk oog, het overgevoeligste zintuig bestaande uit myriaden aan zenuwcellen, staat in onverdragelijk dramatisch contrast tot de geslepen scherpte van metalen wapentuig. In de filmkunst is de esthetiek van het niet-tonen van zoiets onbarmhartigs al veel eerder, in 1928, doorbroken. Un Chien Andalou van de Spaanse regisseur Luis Buñuel opent met een provocerend schokmoment. Een kapper wet een groot scheermes, er klinkt tangomuziek. Hij spert het oog van een vrouw open, het glanst zacht. Met zijn andere hand laat hij het mes er dwars doorheen zakken. In de volgende scène verandert datzelfde mes in een wolk en glijdt voor de maan. Ook hier het beeld van duisternis, vergelijkbaar met Brooks King Lear.

Shakespeare was niet de eerste toneelschrijver die het motief van het uitsteken van ogen inzette. De klassieke tragedieschrijver Sophocles laat Oidipous in Koning Oidipous (430 v. Chr.) zichzelf verblinden, nadat hij heeft ontdekt dat hij zelf schuldig is aan de pest die heerst over de stad Thebe. Hij doodt zijn vader en slaapt met zijn moeder, bij wie hij twee kinderen verwekt: Ismene en Antigone. De ommekeer van trotse koning tot tragische man verbeeldt Sophocles in die zelfverwonding. Zoals het een klassieke tragedie betaamt, gebeurt dit buiten het zicht van de toeschouwers. Een bode doet het verhaal: Oidipous steekt de stalen pennen die de mantel van Jocaste, zijn moeder en echtgenote, bijeenhouden in zijn ogen.

Oidipous geeft als verklaring voor die zelfverminking dat hij zijn ouders later in de onderwereld niet onder ogen durft te komen. Bovendien schaamt hij zich ervoor zijn beide dochters, die dus ook zijn zusters zijn, aan te kijken, zo vervuld is hij van weerzin jegens zijn eigen gedrag.

Het uitsteken van de ogen had in Griekenland nog een betekenis. Het was de straf die kon worden opgelegd aan iemand die incest pleegde.

Op dit moment worden opnieuw ogen uitgestoken in twee King Lear-voorstellingen, en bij Oidipous.

Onder regie van Johan Doesburg speelt Hans Croiset nu bij Het Nationale Toneel de rol van Koning Lear. Eerder, bij Het Nationale Toneel in 1993, speelde Croiset Gloucester. Na de verwonding kreeg hij wit verband om zijn hoofd gewikkeld om zijn ogen te verhullen. Croiset zag werkelijk niets, vertelt hij. ,,Ik wílde ook niets zien. Dat zou de geloofwaardigheid van de verblinde Gloucester aantasten. Ik had er dus geen idee van hoe de voorstelling zich in de laatste twee bedrijven ontwikkelde. Blindheid kun je niet veinzen, daarvoor is het te gruwelijk en te essentieel.''

Regisseur Doesburg beschouwt de Lear die morgenavond in zijn versie in première gaat, als een toneelvoorstelling over identiteit. ,,Op het moment dat Lear zijn koningschap neerlegt, is hij zijn persoonlijkheid kwijt,'' zegt Doesburg. Buiten is het klaarlichte dag, binnen, in het repetitielokaal, heerst de duisternis die zo kenmerkend is voor Lear. Nacht, zwarte vlakken die het heideveld symboliseren, waanzin, regen. De blindmaking geschiedt bij Doesburg op surrealistische wijze. Rik van Uffelen als Gloucester zit vastgebonden op een stoel met de rug naar de zaal. Cornwall en zijn trawanten duwen zijn hoofd naar achteren, over de rugleuning heen, zodat de toeschouwers recht in Gloucesters omgekeerde gelaat kijken. Cornwalls mannen schijnen met zaklampen, waaruit schrille laserstralen priemen, recht in Gloucesters ogen. Een dolk doet het verdere werk. Dat licht is nog wreder dan het mes, alsof het licht uit de ogen wordt gebrand. Hels licht dooft weerloos ogenlicht. Uit luidsprekers klinkt het snerpende geluid als van een tandartsboor die rondtolt in een oogbal.

In de King Lear die acteur en regisseur Paul Röttger tegelijkertijd ensceneert bij het Rotterdams Centrum voor Theater worden Gloucesters ogen in gestileerd spel uitgerukt. ,,Telkens weer,'' zegt Röttger, ,,klinkt er uit de zaal een kreet van mededogen en erbarmen. Deze scène is gruwelijker dan welke moord in Shakespeare dan ook, en Shakespeare laat behoorlijk wat dolken en zwaarden in het lijf van spelers verdwijnen.''

Bij Toneelgroep Amsterdam vervult sinds gisteravond Pierre Bokma de titelrol in Oidipous, geregisseerd door Pierre Audi. Na zijn zelfkwelling komt hij verblind het toneel op, zonder verband, pleisters of zwachtels, zoals bij tal van eerdere ensceneringen. Aan de loensende, lichtloze blik in zijn fletse, starende ogen is prachtig te zien dat Oidipous blind is. Zoals Gloucester over de heide geleid wordt door zijn zoon Edgar, zo laat de blinde koning van Thebe zich ondersteunen door beide dochters. Tastend, schuifelend met de voeten bewegen Bokma en Van Uffelen zich over het toneel.

Het is Sophocles noch Shakespeare echter uitsluitend te doen om het dramatische effect van deze korte, doeltreffende marteling. De huiver heeft een verzachtende keerzijde nodig. Het kwaad moet in het goede zijn tegendeel krijgen, anders is de scène alleen maar schokkend en niet betekenisrijk. Beide tragedies veranderen na de blindmaking van sfeer en zeggingskracht. Gloucester en Oidipous winnen aan sereniteit. De blik naar buiten wordt een innerlijke blik. Oidipous was ziende blind voor het onheil dat hij aanrichtte en is, blindgestoken, nu een ziener geworden. Hij ervaart zijn blindheid zelfs als zegen en geluk: ,,Het eeuwige duister is mijn huis, de nacht is mijn straf, en dat bevalt mij. Het is nog Gods medelijden dat ik leef in deze zwarte huls, ik heb God bedaard. Het licht is wonderlijk ver van mij, het is mij al vreemd nu, een herinnering, iets helders dat wegdrijft, dat mij ontsnapt.'' Hij tast naar zijn wangen en zegt: ,,Wat ik voel, wat mijn vingers nu zien, dat is mijn waar gezicht.'' (Vert. Hugo Claus)

Ook Shakespeare speelt een fraai, stilistisch spel met tegenstellingen. De blinde Gloucester ziet in dat hij zijn wettige zoon nooit had mogen verstoten, evenmin als Lear dat met Cordelia mocht doen. De gek geworden Lear en de blinde Gloucester ontmoeten elkaar in het onherbergzame landschap van Zuid-Engeland. De gesprekken die zij voeren over opstandige, liefdeloze kinderen behoren tot de tederste en aangrijpendste passages uit de toneelliteratuur.

Een van de eerste zinnen die Gloucester in het stuk zegt, gaat over de aanschouwing van het innerlijk, het vertroostende zwart in hem: ,,Ik heb geen weg, en dus geen ogen nodig; ik struikelde toen ik nog zag. Hoe dikwijls maakt onze weelde ons niet overmoedig en is een groot gemis alleen maar winst.''

Voor Johan Doesburg heeft het duister waarin Gloucester vertoeft een symbolische betekenis: ,,In het duister dromen en fantaseren wij, het duister is het domein van liefde en hartstocht. Wat zich vervolgens in het licht afspeelt, is een flauwe afspiegeling daarvan, een glimp. Ik geloof in het zegenrijke duister.'' De toeschouwer die, uit ontsteltenis, het liefst zijn ogen dichtknijpt bij de verblinding van Gloucester of huivert bij het verhaal over de wijze waarop Oidipous naalden in zijn oogkassen drijft, moet beseffen dat beiden het innerlijk licht aanschouwen. Twee blinde mannen in staat van genade.

`King Lear' door Het Nationale Toneel. Regie: Johan Doesburg. Première 13/10 Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Te zien t/m 16/1. Inl.: 070-3181444. `King Lear' door Rotterdams Centrum voor Theater, Mathenesserweg. Regie: Paul Röttger. Te zien t/m 21/10. Inl.: 010-4773891. `Oidipous' door Toneelgroep Amsterdam. Regie: Pierre Audi. Première 11/10. Stadsschouwburg, Amsterdam. Te zien t/m 22/12. Inl.: 020-5237800.