Mijn vader

Zijn vader, geboren in 1903, had aan tafel zijn eigen plaats. Als we gingen eten hadden we allemaal onze eigen plaats. Maar soms zat er er één van ons op een houten keukenstoel. Dat was nooit mijn vader. Die had een extra grote stoel, met een stoffen zitting en twee houten leuningen. Die leuningen werden dagelijks glanzend gepoetst door mijn moeder.

Het gekke was, de stoel stond op een hoek van de tafel, net of mijn vader hield van ongemakkelijk zitten. Hij zei dat hij dan sneller bij de kachel was om hem op te poken, zodat wij het lekker warm zouden krijgen. Wij, zijn jongste twee dochters, gingen voor of na het eten altijd op die houten leuningen zitten. En dan op hem hangen en maar zeuren of hij ons wilde voorlezen. Maar hij vertelde liever uit zijn hoofd verhalen uit de bijbel die nooit klopten met het echte verhaal want hij verzon er dingen bij die hij mooi vond.

Bijvoorbeeld over Absolom, de derde zoon van Koning David, die schitterende lange haren had. Mijn vader wees de lengte aan tot voorbij zijn rug. En hij zei ook dat hij die haren de hele dag zat te kammen zodat er geen klitten in zaten. Maar toen hij zijn broer Ammon vermoordde ging hij op de vlucht, en bleef aan zijn lange haren in een boom hangen, en werd toen door Joab, Davids veldheer, gedood. Dat vonden we heel erg. Mijn vader zei dan op gedragen toon: ,,Dat krijg je als je je tegen je vader keert.''

Later fluisterde hij in m'n oor: ,,Hij heette geen Absolom hoor, maar Kapsalon, goed onthouden.''