Meer aap dan mens

Elk land kent in zijn geschiedenis een moment van waarheid, waarin de natie ondanks grote tegenspoed overeind blijft. Vaak zijn oorlogen of natuurrampen de inleidende oorzaak maar staan zij symbool voor een veel groter maatschappelijk referentiekader. In de twintigste eeuw kende Nederland in korte tijd twee van dergelijke momenten: de Duitse bezetting gedurende de Tweede Wereldoorlog en de watersnoodramp van 1953. Met name de periode 1940-'45 geldt tot op de dag van vandaag als een ijkpunt, waaruit veel van wat daarna gebeurde in de samenleving kan worden afgeleid. Als we verder kijken in de geschiedenis, dan moeten we terug naar 1672 – het spreekwoordelijke rampjaar. Nederland werd toen van zowel land- als zeezijde door vijanden omsingeld. De kust werd geblokkeerd door een machtige gecombineerd Engels-Franse vloot; aan de zuidkant was het Franse leger tot in het geografische hart van het land, Utrecht, doorgedrongen en aan de oostkant lagen Keulse en Munsterse troepen. Het einde leek nabij, de soevereiniteit stond op het spel.

Deze crisissituatie was de culminatie van bijna een kwart eeuw `Ware Vrijheid', waarin de Republiek der Verenigde Nederlanden voor het eerst haar naam als republiek had waargemaakt. Het land was in 1648 nog maar nauwelijks officieel onafhankelijk geworden of de broze onderlinge eenheid werd zwaar op de proef gesteld. De persoonlijke ambities van de stadhouders Frederik Hendrik en Willem II pasten moeilijk in het keurslijf van dienaar van de Staten, wat de Oranjeprinsen in eerste instantie waren. Willem II had in 1650 een ultieme greep naar de macht gedaan door te proberen Amsterdam te bezetten in zijn conflict met het gewest Holland over troepenreducties. Met deze radicale stap had de stadhouder in meerdere opzichten het krediet van het Oranjehuis verspeeld. Met de gewestelijke soevereiniteit viel immers niet te spotten: toen Willem II in het najaar onverwacht overleed als gevolg van de pokken, werden de Oranjes tot ballingen in eigen land gereduceerd. De balans van de gemengde constitutie – een stadhouder naast de gewesten – sloeg vrijwel meteen naar de andere kant door. Wat echter te doen met het kind dat een week na de dood van zijn vader geboren was?

King Billy

Dat jongetje Willem Hendrik, de latere stadhouder-koning Willem III, is het onderwerp van de biografie van Wout Troost. In dertien afgemeten hoofdstukken schetst deze leraar geschiedenis op chronologische wijze een portret van een man die hij uit diverse publicaties (waaronder zijn proefschrift) reeds goed kent. De ondertitel Een politieke biografie verraadt echter dat van een complete biografie geen sprake is. Het leven van Willem III, zoals hier gepresenteerd, is veel eerder een samenvatting van de buitenlandse politiek van de Republiek in de tweede helft van de zeventiende eeuw dan een afgemeten levensverhaal. Dat Willem III de verpersoonlijking werd van de Republiek als grote mogendheid valt zonder meer zijn grootste verdienste te noemen. Voormalig Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger roemt hem in zijn handboek Diplomacy om diens evenwichtspolitiek in Europa. De reputatie van stadhouder Willem III als staatsman leeft daarmee tot op de dag van vandaag voort en in sommige gebieden, met name bij de protestantse unionisten in Ierland, is `King Billy' zelfs nog object van verering.

Dit is vooral te danken aan zijn dertigjarige strijd tegen het Frankrijk van de absolutistische monarch Lodewijk XIV. In wat soms veel eerder het karakter had van een persoonlijke titanenstrijd wijst Troost er terecht op dat het karakter van de stadhouder oorlogszuchtiger was dan weleens wordt aangenomen. Zijn analyse komt erop neer dat de twee protagonisten elkaar in wezen verkeerd begrepen. De Zonnekoning roerde weliswaar meestal als eerste de oorlogstrom, maar was vooral uit op verdedigbare grenzen en niet op de katholieke heerschappij over Europa, zoals de stadhouder vreesde. Diens beroeping op het goddelijk karakter van de strijd was echter evenmin geloofwaardig en diende vooral de propaganda. Niet Lodewijk XIV moet daarom verantwoordelijk worden gehouden voor de vele oorlogen die de Republiek voerde, maar Willem III zelf. Dit leidt tot de interessante vervolgvraag of Willem III bij dit alles de Nederlandse (handels)belangen niet te zeer uit het oog verloor, zeker vanaf het moment dat hij de Engelse troon besteeg. Toen hij in 1702 aan de vooravond van een nieuwe oorlog stierf, was de financiële huishouding van de Republiek reeds danig aangetast. Op zijn reputatie van internationaal staatsman valt dus wel iets af te dingen, de vele ogenschijnlijk succesvolle allianties ten spijt. Het boek grossiert desondanks vooral in offensieve en defensieve verdragen, vredesonderhandelingen, passief neutralisme, evenwichtspolitiek, bondgenootschappen en allianties, waardoor het de lezer wel eens duizelt wie nu tegen wie is en waarom. Een schema of jaartallenlijst – niet ongebruikelijk in een biografie – had hier zeker uitkomst geboden.

Het is bevreemdend waarom de auteur de samenleving waarin Willem leefde zoveel mogelijk buiten de deur houdt. Dit boek biedt daarom jammer genoeg geen diepgravende analyse van persoon en werk. De auteur houdt er in dat opzicht kennelijk een ouderwetse opvatting over geschiedenis op na, waarin human interest niet telt. We lezen dan ook bijvoorbeeld niets over Willems verwonding tijdens de slag bij de Boyne (1690) of de moordaanslag van zes jaar later. De persoon van Willem gaat in dit boek vrijwel geheel schuil achter zijn façade als stadhouder-koning. Zijn karakter inclusief latente homoseksualiteit wordt in drie pagina's afgedaan; over het hofleven komen we nog minder te weten, behalve dat Willem na de dood van zijn vrouw in 1694 `een gebroken man' was. Juist het doorgronden van de complexe persoonlijkheid van Willem III met name in relatie tot belangrijke figuren als Johan de Witt en Hans Willem Bentinck, maar ook anderen als vader en zoon Constantijn Huygens en de raadpensionarissen Gaspar Fagel en Anthonie Heinsius geeft, zoals bij elke persoon, de sleutel tot iemands leven. Daarbij biedt iemand als Willem III bovendien het voordeel dat er voldoende eigentijdse brieven van, aan en over hem zijn geschreven. Door sporadisch gebruik van dergelijk bronnenmateriaal is het boek uiteindelijk niet meer dan een nuttig, maar verder weinig sprankelend overzicht van de bestaande literatuur.

Monkey

Willem was een stugge gesloten persoon, zoveel is zeker. Zijn fysiek was ook al weinig innemend: `he has gotten in part the shape of a man, but more of a monkey, deny it who can, and behaves like one'. Door het overlijden van zijn vader was hij in wezen kind van staat geworden; de rol van zijn moeder, de Engelse prinses Mary Stuart, beperkte zich intussen vooral tot het veiligstellen van de belangen van het Engelse koningshuis. Willems jeugd en opvoeding waren dus eenzaam en onbestemd, maar doen tegelijk denken aan die van de huidige kroonprins, een mars door de instituten van het land ter voorbereiding op en in afwachting van het allerhoogste ambt. Ondanks garanties dat Willem zich nooit daadwerkelijk aan macht zou kunnen laven (de Acte van Seclusie; het Eeuwig Edict) werd deze positie onhoudbaar. In 1672 gebeurde dan ook het onvermijdelijke: onder dubieuze omstandigheden (de moord op raadpensionaris Johan de Witt en diens broer Cornelis) keerde Oranje als triomfator op het nationale speelveld terug. De Republiek was echter te klein voor zijn ambities en restauratie van het stadhouderschap was bij lange na niet genoeg. Zijn stijl van regeren werd overwegend informeel, waarbij lang niet iedereen van zijn trawanten zuiver op de graat was: corruptie vierde hoogtij in de Republiek. Via een eigen patronagenetwerk beschikte de prins van Oranje in binnen- en buitenland aldus over een soort schaduwregering. De belangrijkste instrumenten van macht in de Republiek, de Staten van Holland en de Staten-Generaal, werden bij het maken van beleid voortaan in feite gepasseerd.

In zijn resterende leven zou Willem zich een aartsmanipulator betonen, bekroond met de `Glorious Revolution' van 1688. Na een invitatie van zeven vooraanstaande Engelsen bracht de stadhouder de grootste invasiemacht uit de geschiedenis op de been en wist zonder slag of stoot de Engelse kroon te bemachtigen (al zou hij het koningschap nooit begeerd hebben). In tegenstelling tot zijn nieuwe onderdanen hield de koning echter weinig van `pomp and circumstance'. Met een absente stadhouder en weigerachtige koning waren beide landen op termijn niet gediend. De Engelsen slaakten dan ook een zucht van verlichting toen op een achternamiddag in maart 1702 het paard van de koning, Sorrel, over een molshoop in het park van Hampton Court struikelde waardoor Willem ongelukkig ten val kwam en binnen enkele dagen overleed. De mol – `the little gentleman in black velvet' – werd veelvuldig toegezongen door de jacobieten, de tegenstanders van de koning. Ook de Republiek had echter haar bekomst van deze stadhouder en tot 1747 werden de Oranjes wederom van de macht afgehouden.

Wout Troost: Stadhouder-koning Willem III. Een politieke biografie. Verloren, 331 blz. ƒ66,-