Lijden zonder larmoyant te zijn

`Naoorlogse joodse verhalen', zo karakteriseert Chaja Polak (1941) haar eigen werk. In wezen vertelt ze echter maar één verhaal: hoe de holocaust een stempel heeft gedrukt op overlevenden en nabestaanden en de daarop volgende generaties. Bij dat drama vallen alle andere drama's in het niet, dat weten kinderen van door de oorlog getraumatiseerde ouders en dat weten dus de personages van Chaja Polak. Over het uitgeholde bestaan van deze schuchtere, willoze mensen wordt in een sobere stijl verslag gedaan.

In haar autobiografische roman Tweede vader uit 1996 draaide het om de gevoelens van een meisje, Fanny, wier vader niet is teruggekomen uit het concentratiekamp, terwijl haar moeder Auschwitz overleeft en met een nieuwe echtgenoot een nieuw gezin sticht. Dit gegeven – de vroeg gestorven vader en de moeder die onbespreekbaar oorlogsleed met zich mee torst – keert in vrijwel al Polaks boeken terug, evenals het motief van de plaatsvervanger. De rol van plaatsvervanger kan worden gespeeld door een tweede vader, door een oom, een vriendin, een speelgoedbeest of een kind, maar altijd is hij er om de gaten op te vullen die de jodenvervolging heeft geslagen.

In Over de grens is de plaatsvervanger het hoofdthema. Niet alleen is het de titel van het tweede hoofdstuk, in alle hoofdstukken komen de steeds wisselende personages tot het pijnlijke besef dat ze in de ogen van hun dierbaren slechts een surrogaat zijn voor iemand anders. Dit geldt het sterkst voor hoofdpersoon Rosa van wie we zeven levensfasen te zien krijgen, beginnend in 1961 als ze dertien is en voor 't eerst verliefd en eindigend in 1993 wanneer ze – 45 jaar oud – een gescheiden moeder is van twee volwassen kinderen. In Rosa komen we veel kenmerken tegen van hoofdpersonen uit eerdere boeken van Chaja Polak. Ze is op een welhaast overbewuste manier joods, haar vader is overleden toen ze een kind was, haar moeder is teruggekeerd uit het kamp. Vader en moeder deelden een vreselijk geheim waarvan de dochter wel het bestaan maar niet de inhoud kent.

Plaatsvervanger

Over de grens is eigenlijk geen roman maar een bundel afzonderlijk te lezen verhalen waarin Rosa weliswaar steeds voorkomt maar niet per se als hoofdpersoon. In het één na laatste verhaal, `Berlijnse dagen', dat speelt in 1990, komt Rosa erachter wat haar ouders voor haar verborgen hebben gehouden en begrijpt de lezer waarom de vader zijn dochter nooit bij haar naam heeft genoemd.

Drie jaar later, in het verhaal waarmee het boek eindigt, ontdekt Rosa dat het met Mees – de enige man die haar nog boeit – nooit iets zal kunnen worden. Juist op het moment dat zij bedenkt dat ze maar `een plaatsvervanger is, geboren om de lege plek in te nemen, de plek van iemand anders', dringt tot Mees door dat hij in Rosa voornamelijk zijn door de nazi's vermoorde jeugdvriendinnetje Judith ziet. In een eerder verhaal, `De kleine bruidegom' is Mees gevallen op Rosa's joodse uiterlijk dat hem aan Judith deed denken. Ook Mees en Judith deelden een geheim, namelijk dat ze onder de ligusterheg tussen hun tuinen een teddybeer hebben begraven. De beer was een cadeau voor Judiths vijfde verjaardag, vlak voor haar deportatie. Nooit heeft Mees begrepen waarom de gloednieuwe beer zonodig begraven moest worden. Pas als volwassen man komt hij tot het inzicht dat Judith het speelgoedbeest voor hem achterliet om zichzelf te vervangen. De beer heeft hij nooit teruggevonden, maar als hij naar Rosa kijkt ziet hij een levende plaatsvervangster. `Rosa zou heel goed Judith kunnen zijn, ze is teruggekomen om mij te laten weten dat ze nog leeft, en niet is doodgegaan in de oorlog, straks zal ze weer weggaan, maar ik weet dat ze er nog is.'

Er staan verhalen in Over de grens waarvan in eerste instantie de portee niet te begrijpen valt en waarvan de leesbaarheid alleen maar te danken is aan de suggestieve sfeerbeschrijvingen. Pas naderhand, als het hoofdthema dat alle personages met elkaar verbindt duidelijk wordt, vallen de puzzelstukjes op hun plaats. Dan blijkt ook dat de zuiverheid van dit proza niet alleen schuilt in de sobere stijl, maar ook in de psychologische inzichten die het biedt.

Chaja Polak is een expert in het doorgronden van joodse oorlogstrauma's. Ze laat feilloos zien waar de pijn zit, hoe die veroorzaakt wordt en wat mensen doen om zich er tegen te wapenen. Met het vermogen om dit lijden te beschrijven zonder larmoyant te zijn, treedt ze in de voetsporen van Marga Minco.

Evenmin als Minco kan Polak worden verweten dat ze omvangrijke boeken schrijft. Korte verhalen of novelles liggen haar beter dan uitgesponnen romans, wat op het eerste gezicht vreemd lijkt voor een auteur die zowel beschrijvend als psychologisch zo goed uit de voeten kan. Een verklaring zou kunnen zijn dat haar personages bange, onopvallende, kleurloze mensen zijn die zich alleen maar staande kunnen houden dankzij een zo sterke mate van verdringing dat er weinig spannends overblijft. Ze doen denken aan psychiatrische patiënten die alleen dankzij alle emoties dempende medicijnen nog enigszins kunnen functioneren.

Rosa bijvoorbeeld noemt haar leven als alleenstaande vrouw van boven de veertig haar `middenbestaan', `een leven zonder groot verlangen, zonder grote verwachtingen. Maar ook zonder dalen.' Het is beslist niet zo dat Chaja Polaks personages flat characters zijn in de betekenis die de literatuurwetenschap aan deze term geeft. Een `flat character' is een personage waarvan de auteur het karakter op eendimensionale wijze uitbeeldt, terwijl Rosa's gecompliceerde maar weinig hartstochtelijke wezen juist uiterst genuanceerd en geloofwaardig wordt neergezet.

Plot

Het probleem met zulke fletse personages als die van Chaja Polak is natuurlijk dat er ternauwernood een roman mee te vullen is, tenzij ze figureren in een ijzersterke plot. Maar juist de plot behoort niet tot Polaks sterkste punten en dat kan de keuze voor een `roman in verhalen' verklaren. Toch heeft deze vorm niet kunnen bewerkstelligen dat de vaart er steeds in blijft. Pas als het geheim is onthuld dat Rosa's leven getekend zoniet verwoest heeft, ontstaat de spanning die de voorafgaande verhalen ontberen. Was echter de ontknoping naar voren geplaatst, dan hadden de raadselachtigheden er zo dik opgelegen dat het kitsch was geworden.

De compositie in losse verhalen, die waarschijnlijk is gekozen uit vrees dat de lezer zich anders gaat vervelen, werkt juist vertragend. Allerlei aanvankelijk onnodig lijkende aanwijzingen krijgen pas met terugwerkende kracht betekenis. Je bent daardoor gedwongen het boek twee keer te lezen. Dat is overigens geen straf dankzij de volmaakte sfeer- en stemmingsaanduidingen, Chaja Polaks scherpe blik en het onbeperkte mededogen met haar gewonde personages.

Chaja Polak: Over de grens. Vassallucci, 189 blz. ƒ37,35