Kanttekeningen bij de oorlog (2)

De firma Endemol laat zich door de toestand in de wereld niet van de wijs brengen. Er is opnieuw een Big Brother-variatie verzonnen, weer mensen die zich voor zekere tijd vrijwillig laten opsluiten om voor de camera's dingen te doen die andere mensen graag op de televisie willen zien. Endemol heeft groot gelijk.

Oorlog of geen oorlog, er komt een ogenblik waarop de meeste mensen zich willen vermaken, en dan hebben ze hulp nodig. Ik zie niet in waarom die niet zou kunnen worden verleend door een stuk of wat mensen die zich in een container of op een onbewoond eiland laten beloeren. Het is eigentijds. Na Dolle Dinsdag heeft zelfs de Spoorwegstaking niet meteen een eind aan het voetballen gemaakt. De wedstrijd AGOVVNOAD ging gewoon door. Het staat me bij dat de competitie langzaam is afgestorven doordat steeds meer spelers door de honger werden geveld of moesten onderduiken wegens de razzia's. Loe de Jong heeft het allemaal beschreven. Niets kan de behoefte aan vermaak verstikken. Het verschrikkelijkste bewijsmateriaal heeft Magnus Hirschfeld bijeengebracht, in zijn Sittengeschichte des Weltkrieges. De eerste, wel te verstaan; de tweede moest nog komen.

Na de elfde september bezint Hollywood zich op zijn toekomst. Dat is, denk ik, hoog tijd. Maar over de toekomst op zichzelf hoeven ze zich niet ongerust te maken. Juist in tijd van oorlog is er behoefte aan vermaak. Sentimenteel, zoet smakend vermaak, weg van het front, het puin van gebombardeerde steden. In de oorlog hebben de mensen geen behoefte aan een theoretisch realisme dat door anderen verzonnen is. Van het werkelijke realisme zijn ze al ruim voorzien. Ze willen escapisme. Een van de grootste successen van de UFA in de Tweede Wereldoorlog was de film over het leven van Baron von Münchhausen. En, denk je achteraf, geen wonder, want die kon zich uit alle benarde omstandigheden redden. Je aan je eigen haren uit het moeras kunnen trekken, dat wil in de oorlog iedereen wel.

Wordt deze oorlog tot een werkelijke oorlog waarin op een of andere manier alle mensen van alle partijen zullen worden betrokken? Dan is het best mogelijk dat daaruit een nieuw escapisme ontstaat, aangepast aan deze tijd, maar ook sentimenteel, braaf, zonder bloedbaden, de special effects van de mega-ontploffingen, zonder honger, wel met verdriet, maar toch altijd weer met het wonder van het klassieke happy end. I can see the sun when its raining... enz. (Glenn Miller, Sun Valley Serenade). Mierzoet. En mooi!

Het probleem van Hollywood is niet dat het een fabriek voor vermaak en escapisme is, maar dat het geprobeerd heeft, met bijval van een wereldpubliek en groot financieel succes, een namaak-werkelijkheid te scheppen: de `net echte', de virtuele werkelijkheid. En nu zou het niet rechtvaardig zijn, de creatieve geesten daarvan de schuld te geven. Het Hollywood van de virtuele realiteit is deel van de westerse cultuur, die afgelopen kwart eeuw steeds meer verslaafd aan de virtualiteit is geraakt. Het net-echt, het echt zonder risico.

Vorig jaar omstreeks deze tijd heb ik in het CS een reeks beschouwingen geschreven onder de kop Waar is nog gevaar? Het ging over van alles en nog wat. Eén van de onderwerpen was het engagement. Er zijn denkers en kunstenaars die uitsluitend voor hun denken en kunst leven, onthecht van deze wereld hun scheppend werk doen. Mijn zegen hebben ze. Dan zijn er anderen die, hoe dan ook, betrokken zijn bij wat er om hen heen gebeurt, en die in hun werk behalve veel meer, hun tijd vastleggen. Sommigen mengen zich metterdaad in de politiek. In de jaren twintig en dertig was de gemiddelde schrijver in het Westen geëngageerd. In de eerste tientallen jaren na de oorlog waren Jean-Paul Sartre, Albert Camus, hoe uiteenlopend ook, voorbeelden van engagement. Het betekende niet dat ze lid van een politieke partij, of zelfs `lijstduwer' waren. Ze mengden zich in de politiek.

Al voor de Koude Oorlog was geëindigd met het grote politieke evenement, de val van de Muur, was het engagement uit de mode geraakt. De kunstenaars en intellectuelen hadden iets anders aan hun hoofd. Twee jaar later kwam de oorlog in Joegoslavië. Binnen een paar jaar werden een paar honderdduizend mensen vermoord, buiten daadwerkelijk bezwaar van de Europese Gemeenschap, de NAVO en Amerika. Een televisie-oorlog, schreven de columnisten. Laat je niet verleiden, gebruik geen grote woorden! Wij, dienaren van het woord, kunnen er niets aan doen. In godsnaam, geen grote woorden! Bij gebrek aan grote woorden lieten een paar duizend moslimmannen zich onder Nederlands toezicht naar de slachtbank leiden. Beter die paar duizend gemassacreerden dan dat wij betrapt worden op `grote woorden'.

Wat een ongelooflijke lafheid, verpakt in valse bescheidenheid. Intussen groeide de virtuele cultuur voorspoedig verder. In de bioscoop, op de televisie, in de amusementshal, de peepshow, het pretpark, het evenement kon je alles beleven wat je in het `echte leven' tekort kwam. Tien jaar lang hebben de kunstenaars, de intellectuelen zich het `echte leven' uit de hand laten lopen, ter wille van de beleving, de nep-extase, de blits, de doorbraak. Plotseling dient het werkelijke leven zich weer aan. Wat doen de intellectuelen? Onderling maken ze een oorverdovende ruzie over de `oorzaken'. Over wie wat in welke context verkeerd doet. Of humor en oorlog wel samen kunnen gaan. Er ontstaat een soort moraal-theologisch debat over de `schuld van Amerika'. Alsof niet New York het Mekka van de `creatieven' was. Of nog is? We zullen zien.