Je kon het slechter treffen

Het Turkse imperium onder de dynastie van de Ottomanen was in het afgelopen decennium één van de machtigste staten van Europa. Al voordat ze in 1453 Byzantium innamen hadden de Ottomanen nagenoeg alle vorstendommen in de Balkan hetzij veroverd, hetzij in een positie van afhankelijkheid gebracht. En in de eeuw die erop volgde, ging ook heel Noord-Afrika van Arabisch bestuur over in Turkse handen.

Na elke veldslag mocht de legeraanvoerder een vijfde van de krijgsgevangenen tot zijn bezit kiezen. Murâd I, de sultan die sneuvelde bij de fameuze veldslag op het Merelveld in Kosovo (1389), maakte van die regel gebruik om een staand leger te organiseren. Hij koos zijn deel van de oorlogsslaven op basis van fysieke kwaliteiten. De jongens werden onderricht in de islam en vormden een elitekorps, de zogenaamde janitsaren. Sedertdien waren het de Slaven uit de Balkan die voor de successen van de Ottomaanse legers zorgden en de Turken in 1529 zelfs tot voor de poorten van Wenen brachten. Zij maakten carrière binnen het leger en de grootviziers van de sultan kwamen bijna systematisch uit hun rangen.

Tot 1700 kwamen massa's uit alle landen van Europa als slaven terecht in het Ottomaanse Rijk. Niet alleen als oorlogsbuit, maar ook door piraterij. Andere Europeanen trokken uit vrije wil daarheen om te dienen onder de Turken. Velen van hen bekeerden zich tot de islam. Sommigen keerden na hun vrijlating naar hun geboorteland terug, talrijken bleven er de rest van hun leven.

Angst

Over die groepen en hun wedervaren bij de toenmalige vijand nummer één van de christenheid, in het land van die exotische `duivel' handelt Sultans, slaven en renegaten van de Leuvense historicus Joos Vermeulen. Blijkbaar is er uit die periode een hele lading autobiografieën en reisverslagen bewaard van ex-slaven, handelaars in de Levant en diplomaten allerhande, onder wie de Vlaming Busbequius, de man die de tulp naar Europa bracht. Vermeulen heeft genoeg materiaal bijeengebracht om een boek lang fragmenten daaruit aan elkaar te praten zonder een ogenblik te vervelen.

Verveling dreigt nog wel in de eerste honderd bladzijden van het boek, waar Vermeulen een geschiedkundige inleiding wil bieden alvorens het eigenlijke onderwerp van zijn werk aan te snijden. Een goed idee, maar het valt moeilijk te bergijpen waarom Vermeulen de lezer op de hoogte stelt van elke veldtocht van elke sultan en van de minste uitbreiding of inkrimping van zijn leenheerschap en grondgebied. Bovendien lijkt een beperking tot het militaire gebeuren nogal eenzijdig. Eén ding wordt wel duidelijk: de feodaliteit en de daarmee samenhangende machtsverschuivingen waren in het zuidoosten van Europa en in Anatolië net zo een kluwen als in onze streken.

De gedachte als krijgsgevangene in de handen te vallen van Turkse slavenhandelaars of als zeeman terecht te komen bij Noordafrikaanse piraten vervulde de Westeuropeaan van de veertiende tot de zeventiende eeuw met onuitsprekelijke angst. De strekking van het boek is dat men het in de loop van de wereldgeschiedenis als slaaf niettemin slechter kon treffen. Om te beginnen wanneer men in dezelfde periode als zwarte terecht kwam in de Nieuwe Wereld. Het Ottomaanse slavensysteem moet veel weg gehad hebben van het Romeinse. Al naargelang het karakter van de meester kon zijn omgang met zijn slaven variëren van gemoedelijk tot boosaardig. Sommige slaven werden belast met zware verantwoordelijkheden en genoten een hoge maatschappelijke status. Bijna allen waren in staat te sparen voor hun vrijkoping. Sommigen deelden in de erfenis van hun meester. Dikwijls drong de meester bij zijn slaaf aan op een bekering tot moslim omdat hij hem absoluut wou laten huwen met een van zijn dochters. Wie zich niet bekeerd had werd in Istanboel in zekere mate beschermd door de aanwezigheid van westerse consulaten.

De staatsslaven op de galeien hadden het wel zwaar te verduren. Vermeulen tekent uitgebreid hun leven, hoe ze met ijzers aan de enkels overnachtten in onderaardse kelders met luchtroosters die uitkwamen op de straat. Het gebeurde dikwijls dat baldadige jongelui daardoorheen hun gevoeg deden. En doordat de ruimte klein was en de slaven dicht opeengepakt lagen, was er altijd wel een slachtoffer. Maar ook de galeislaven ontvingen in de regel een zakgeld. En met grote vindingrijkheid organiseerden ze hun eigen samenleving. Zo hadden zij een systeem van onderlinge bijstand via een zelf ingestelde taks op de brandewijn die in de slavenkroegen geschonken werd. Ook van hen kwamen de meesten vroeg of laat vrij.

Collecte

Gesausd met veel anekdotiek uit de eerste hand, komen uiteenlopende aspecten van het slavenbestaan aan bod. Zo geeft Vermeulen een kritische bespreking van de motieven op grond waarvan Europeanen het islamitische geloof overnamen en renegaat werden. Hij geeft verder een hoop concrete voorbeelden van de Turkse religieuze tolerantie. Onder de slaven bevonden er zich overigens heel wat uit de Nederlanden. Hier te lande werden dan collectes gehouden om ze vrij te kopen.

Slavernij blijft een traumatische ervaring. De vraag is dus natuurlijk waar de auteur het lef vandaan haalt om dat te verbloemen. Is het weer politieke correctheid? En waar komt die correctheid dan vandaan?

Als het over de Ottomanen ging, waarde in ons hoofd altijd dat oeroude beeld van tulbanden en kromzwaarden, verkrachtingen en barbaarse christenvervolging. `Hoe had Europa er uitgezien, indien Wenen in de zestiende eeuw gevallen was?', was de retorische vraag in onze geschiedwerken. En daarbij liepen de lezer de koude rillingen over de rug.

Vermeulen leert dat we misschien inderdaad iets beter waren afgeweest indien de Turken dwars door het Roomse Rijk de Spanjaarden onze gewesten ontfutseld hadden. De correctheid van Vermeulen is evenzeer een uiting van die verrassing, als de behoefte om te corrigeren.

Joos Vermeulen: Sultans, slaven en renegaten. De verborgen geschiedenis van het Ottomaanse rijk. Acco, 404 blz. ƒ71,-