Het Afghaanse drama

Osama bin Laden mag zijn fantasieën hebben ontleend aan de Arabische wereld, het was de chaos in Centraal-Azië die hem de mogelijkheid bood om zijn plannen te verwezenlijken. Zijn gastheren, de Talibaan, combineren een strenge geloofsleer met een rigide tribaal recht. Resultaat is een wrede ideologie, die ook in de islamitische wereld voor opschudding zorgt.

In de lente van 1994 vernam een gepensioneerde mujahid in Kandahar, in het zuidoosten van Afghanistan, met afgrijzen dat een lokale veldheer in het dorp Sang Hesar zich had vergrepen aan twee ontvoerde meisjes. De man, Mohammad Omar, haastte zich naar de lokale religieuze school (madrassa) waar hij dertig studenten (talibaan) optrommelde om de commandant een lesje te leren. Na een korte schietpartij werden de meisjes bevrijd en reed Omar triomfantelijk door het dorp in een buitgemaakte tank. Aan de loop van de tank bungelde het lijk van de commandant. De lokale bevolking was verrukt. Niet alleen waren Omar en zijn helpers opgekomen voor de erecode van de stam, de pashtunwali, maar ook hadden zij afgerekend met een van de vele krijgsheren die de Pashtuns van Kandahar al jarenlang het leven zuur maakten. Geweldsexcessen gingen gepaard met een grenzeloze hebzucht van de heersende facties. De krijgsheren stonden er ieder afzonderlijk op dat de burgers hun militaire avonturen hielpen financieren door het betalen van fikse belastingen. Plundering vormde een andere bron van inkomsten. ,,We vochten tegen moslims die het verkeerde pad op waren gegaan', legde Omar later uit. ,,Hoe konden we blijven toekijken terwijl er misdaden werden gepleegd tegen vrouwen en armen?'

De Talibaan refereren graag aan het incident van Sang Hesar als het moment waarop hun leider Mohammad Omar de aanzet gaf voor een `spontane volksrevolutie' tegen de meer dan vijftien bendes van ex-mujahedeen uit de oorlog tegen het sovjetleger. Volgens Michael Griffin, auteur van Reaping the Whirlwind. The Taliban Movement in Afghanistan, is dit echter maar ten dele waar. De Talibaan konden door de rechteloosheid in Kandahar weliswaar op brede steun rekenen, maar een volksopstand bleef uit. Na het gewapende treffen in Sang Hesar moesten Omar en zijn vrienden zelfs de benen nemen naar het naburige Baluchistan om pas maanden later terug te kunnen keren. Bij terugkomst in oktober 1994 bleek de bende van Omar op wonderbaarlijke wijze te zijn uitgegroeid tot een zwaarbewapende militie van 1.500 man. Bovendien slaagden zij erin binnen zes maanden een derde van Afghanistan te veroveren. In september 1996 werden de Talibaan de onbetwiste meesters van de hoofdstad Kabul.

Wie waren deze Robin Hood-achtige strijders en wat wilden zij? Griffin gaat in Reaping the Whirlwind voornamelijk beschrijvend te werk en zijn boek bevat niet veel nieuwe inzichten. Griffin, een onderzoeksjournalist en voormalig medewerker van UNICEF in Afghanistan, maakt vooral gebruik van interviews en een grote hoeveelheid vooral secundaire bronnen. Hij weet de complexe ontwikkelingen omtrent de Talibaan zo op boeiende wijze begrijpelijk te maken. Maar zowel wat betreft zijn bronnengebruik als analyse blijft Reaping the Whirlwind in de schaduw staan van het sublieme standaardwerk Talibaan van de Pakistaanse journalist Ahmed Rashid, dat dit jaar in het Nederlands verscheen bij uitgeverij Atlas (besproken in Boeken, 27.5.01). Griffins verslag is bovendien erg gefixeerd op de politieke gebeurtenissen in Kandahar en Kabul, waardoor we maar weinig te weten komen over hoe Afghanen buiten deze gebieden denken over de Talibaan. Hiervoor kunnen we beter terecht bij Jason Elliot die in zijn intieme reisverslag An Unexpected Light (Picador, 1999) constateert dat de rigide Talibaan ook in Afghanistan worden gezien als een ongelukkige anomalie.

Griffin voltooide zijn boek zeven maanden voor de aanslagen in Amerika. Toch bevat het een aantal aanknopingspunten om de gebeurtenissen van 11 september – en wellicht ook hun nasleep – te kunnen analyseren. Uiteraard wijst Griffin op de rol van de madrassas in Pakistan waar vele Afghanen hun toevlucht zochten tijdens de sovjetbezetting die al het religieuze onderwijs in Afghanistan had stopgezet. Scheutig gefinancierd door Pakistans voormalige dictator Zia ul-Haq, en later door Westerse ontwikkelingshulp, beleden deze scholen een speciale versie van de soennitische islam, de deoband. Deze stroming ontstond meer dan 130 jaar geleden in India, in Uttar Pradesh, als reactie op het Britse kolonialisme. De deoband riep moslims op om Westerse invloeden te weren door middel van een `actualisering' van de islamitische geloofsleer op grond van de islamitische basisteksten en de sharia.

Klaargestoomd in deze scholen keerden duizenden Afghanen terug om als religieus leraar, imam of dorpshoofd te fungeren. Bovendien sloten de Talibaan zich aan bij de verzetsgroepen tegen de Sovjets, veelal als elitetroepen die het moreel van het gewone voetvolk hoog hielden. Na de terugtrekking van de Sovjets in 1989 werd de glorieuze jihad al snel overschaduwd door onderlinge twisten. De Talibaan daarentegen genoten nog steeds een godvruchtige reputatie en het lag daarom voor de hand dat zij vroeg of laat hun eigen richting zouden inslaan.

De Talibaan kampten echter met de handicap dat zij niet konden bogen op een dynastie van voorvaderen zoals de meeste tribale leiders van de Pashtun in Kandahar. Omar en zijn volgelingen trachtten deze tekortkoming te verhelpen door de geloofsleer van de deoband te vermengen met een rigide interpretatie van het tribale recht van de Pashtuns, de pashtunwali, om zo het tribale leiderschap te kunnen opeisen. Het eindresultaat was de bizarre, misogyne, en wrede ideologie die zowel in het westen als in de islamitische wereld nu zoveel opschudding heeft veroorzaakt. Maar niet alleen vrouwen werden het slachtoffer van deze curieuze vermenging en vervorming van islamitische leerstellingen en Pashtun-gebruiken. Na hun verovering van het door Pashtun gedomineerde Kandahar, ontpopten de Talibaan zich al snel als buitengewoon gewelddadige strijders, bevlogen door etnische haat.

Het moorden bereikte een hoogtepunt tijdens de inname van het noordelijke Mazar in juli 1998. Aan deze operatie namen trouwens ook Arabische commando's deel van Osama bin Laden. Geschat wordt dat tussen 4.000 en 6.000 shi'itische Hazaras door de Talibaan zijn gedood. Het Britse Channel 4 liet onlangs gruwelijke beelden zien van het specialisme dat de Talibaan in Mazar voor hun etnische tegenstanders ontwikkelden; het levend villen van burgers. De nieuwe gouverneur van de Talibaan in Mazar vergoelijkte de gruweldaden door de Hazaras `kufr' (heidens) te noemen. De Tadzjieken en andere etnische minderheidsgroepen zouden spoedig hetzelfde geweld ervaren. Desalniettemin probeerden de Talibaan de indruk te wekken dat zij met hun `islamitische' beginselen ver boven de etnische geschillen van Afghanistan stonden. Zo werden verschillende niet-Pashtuns in Kabul aangesteld als minister. Maar door de nadruk op de pashtunwali en de pogroms tegen niet-Pashtuns was duidelijk geworden dat de ambities van de Talibaan een onmiskenbaar, etnisch stempel droegen.

Binnen een jaar na de machtsovername in Kandahar verkondigden de Talibaan dat zij heel Afghanistan wilden zuiveren. In april 1996 liet Mohammad Omar zichzelf uitroepen tot `commandant van de gelovigen' (amir al-mu'minin). Hiermee maakten de Talibaan duidelijk dat zij een terugkeer van de voormalige koning Zahir Shah niet zouden tolereren. Dit was een idee waarmee de VN-onderhandelaar voor Afghanistan sinds 1994 speelde. Toch zouden er tot zeer recentelijk binnen de Talibaan stemmen opgaan om de alleenmacht op te geven en plaats te maken voor een `loya jirga', een intersectarische coalitieregering. De Talibaan is geen monolithisch geheel en het is zeer de vraag of de eenheid van de beweging de huidige oorlog zal kunnen doorstaan. Ahmed Rashid berichtte deze week in Far Eastern Economic Review dat direct na de Amerikaanse bombardementen hoge Talibaanfunctionarissen in zowel Kandar als Kabul hun onvrede uitten over de lijn van Omar. Sommigen van hen zouden al naar Pakistan zijn vertrokken.

Aanmoediging en buitensporige materiële steun uit het buitenland (vooral uit Pakistan) hebben in hoge mate bijgedragen aan de opmars van de Talibaan. De militaire successen waren te danken aan een combinatie van een verdeelde tegenstander, listige strategieën en een hoop geld. De verschillende mujahedeen-facties waren zich pas zeer laat bewust van het gevaar van de Talibaan. Het is opvallend hoe weinig er daadwerkelijk is gevochten tijdens de veldtocht naar Kabul. Griffin onderstreept dat de Talibaan veel tegenstanders toestonden om hun wapens te behouden en afzonderlijke, bevriende eenheden te vormen. De voornaamste bron van inkomsten – de kalasjnikov – was hiermee gewaarborgd. Als meest geduchte wapen beschikten de Talibaan over een grote pot geld. Griffin wijst erop dat de Talibaan daarmee ook de kiem hebben gelegd voor hun mogelijke ondergang. Onder de huidige omstandigheden kunnen de omgekochte bondgenoten en bevriende eenheden immers wel eens hun loyaliteit opgeven.

Achter deze materiële overwegingen schuilt bovendien een reeks van latente klachten en grieven die de eenheid van de Talibaan verder onder druk kunnen zetten. Door Omars bescheiden afkomst en beperkte religieuze kennis als dorps-mullah, wordt diens titel als `commandant van de gelovigen' door veel Afghaanse moslims als potsierlijk en beledigend ervaren. De strikte naleving van de sharia en het opleggen van bloedige lijfstraffen staan bovendien haaks op de meer ontspannen opvattingen buiten Kandahar. Zelfs onder Pastuns wordt gemord. Zo liep in mei 1997 een aanzienlijk aantal Ghilzai-Pashtuns uit oost-Afganistan over naar de oppositie omdat zij genoeg hadden van de dominante rol van de Kandahar-Pashtun in de Talibaan. Recente berichten dat na de Amerikaanse aanvallen Talibaan-soldaten in Kabul en Herat zouden zijn gedeserteerd bevestigen dit lage moreel.

Griffin beschrijft de rol van de Verenigde Staten in het Afghaanse drama als een aaneenrijging van naïef geklungel, cynisch gekonkel en gemiste kansen. Na de terugtrekking van de sovjettroepen en de val van hun stroman Mohammad Najibullah in 1992 hadden de VS hun handen van het land afgetrokken. Dit zette kwaad bloed bij sommige Afghaanse mujahedeen die hadden gehoopt dat de VS hen zouden helpen bij het tot stand brengen van een post-communistische coalitieregering. Zonder de VS konden de `Pakistaanse Lawrences van Arabië' dus vrijelijk met geld van de Amerikaanse bondgenoot hun intriges in Afghanistan financieren en, als het even kon, de Iraniërs dwarsbomen. De enige kopzorg die Afghanistan nog bracht was de drugshandel. Dus toen de Talibaan Kabul veroverden, sprak een Amerikaanse diplomaat in Pakistan slechts zijn hoop uit dat de nieuwe regering de orde zou herstellen en de opiumproductie zou beperken. Een woordvoerder van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, Glyn Davies, voegde daaraan toe dat de VS geen bezwaren hadden tegen de stappen van de Talibaan om de sharia in te voeren. Ook hadden de VS wel fiducie in een plan van het Texaanse concern Unocal, dat samen met het Saoedische Delta Oil een gasleiding wilde aanleggen vanuit Turkmenistan naar Pakistan, dwars door Afghanistan. Unocal nam een aantal illustere lobbyisten in dienst, onder wie George Bush senior. Voorwaarde was natuurlijk wel dat Afghanistan een regering had om een deal mee te kunnen sluiten, al was het maar een Talibaan-regering, die een einde kon maken aan de burgeroorlog. De onderdrukking van vrouwen door de Talibaan was blijkbaar geen reden voor een onmiddellijke ommezwaai van het Amerikaanse beleid. In januari 1998 bood Unocal de Talibaan een miljoenencontract aan om het gasproject te verwezenlijken.

Usama bin Laden en zijn Arabische strijdmakkers gooiden echter roet in het eten door hun aanslagen op de Amerikaanse ambassades in Nairobi en Dar es-Salaam in augustus 1998. Kort daarna voerden de Amerikanen hun vergeldingsaanvallen uit op enkele bases van Bin Laden. Griffin weet te vertellen dat de Talibaan de Amerikaanse eis tot uitlevering van Bin Laden wel degelijk serieus namen. Zo zouden de Talibaan in februari 1999 de VS hebben toegezegd uitlevering te overwegen, op voorwaarden dat het regime erkend zou worden door de Verenigde Naties en dat de Saoediërs zouden helpen afrekenen met Bin Ladens volgelingen. Omar bevestigde hiermee alleen een extra voorwaarde, aangezien Amerikaanse diplomaten al in september 1998 hadden laten weten dat uitlevering zou worden beloond met erkenning van de Talibaan. Bin Laden kreeg lucht van deze vergaande concessies en de relaties met zijn Afghaanse gastheren verslechterden aanzienlijk. In februari 1999 zou een schietpartij hebben plaatsgevonden tussen lijfwachten van Bin Laden en soldaten van de Talibaan. Kort daarna werd in Koeweit een man gearresteerd met een vals paspoort voor Bin Laden, hetgeen zou wijzen op mogelijke plannen van de leider van Al-Qaeda om elders zijn toevlucht te nemen.

De toenmalige Amerikaanse president Clinton liet zich echter overhalen om niet op het voorstel van de Talibaan in te gaan. Misschien vreesden zijn adviseurs dat openlijke erkenning van de Talibaan op grote weerstand zou stuiten van de invloedrijke vrouwenbeweging in de VS, die Clinton toch al verfoeide vanwege het Lewinsky-schandaal. Bin Laden en de Talibaan verzoenden zich in augustus 1999 en begonnen een gezamenlijke militaire operatie tegen de laatste stellingen van de oppositie in het noorden van Afghanistan. Voor hen was het weer business as usual.

Griffin vraagt zich vertwijfeld af waarom de Clinton-regering zo weinig kordaat optrad tegen de Talibaan en de dreiging van Bin Laden. Waarom voerden de VS geen commando-aanval uit om Bin Laden uit Kandahar te vissen en in Amerika te berechten? Waarom werd de Pakistaanse maar ook de Saoedische hulp aan de Talibaan niet publiekelijk aan de kaak gesteld?

Volgens Griffin heeft dit te maken met de Amerikaanse bezorgdheid over de nucleaire escalatie van het conflict tussen Pakistan en India in de zomer van 1998. Bin Laden, zo beweert Griffin, was voor de VS door de kernproeven in mei en juni dat jaar ineens een sub-plot geworden in het grotere steekspel van Centraal-Azië. Door zich eenzijdig te richten op de kernproeven gaf Washington Pakistan impliciet vrij spel in Afghanistan. Tijdens een kort bezoek van Clinton aan Pakistans nieuwe leider Pervez Musharraf in Islamabad, in maart 2000, werd de naam Bin Laden niet eens meer genoemd. Maar Griffin vermoedt dat er meer stak achter Clintons passieve houding ten aanzien van de Talibaan. Het is mogelijk dat het Amerikaanse beleid er op was gericht om met hulp van de Pakistaanse geheime dienst (de ISI) de Talibaan eerst stevig in het zadel te helpen, om vervolgens Bin Laden aan te kunnen pakken. Hoe het ook zij, slechts zes maanden voor de Amerikaanse verkiezingen in november vorig jaar verwachtte niemand meer een nieuw, laat staan krachtiger Amerikaans beleid ten aanzien van Afghanistan. `En na de verkiezingen zal het ten minste nog een jaar duren voordat de volgende regering een beleid heeft geformuleerd om de Amerikaanse belangen in Afghanistan en de regio veilig te stellen', verzuchtte voormalig ambassadeur Peter Tomsen tijdens een senaatszitting in juli 2000. Sinds 11 september weten we dat Bin Laden hier niet op wilde wachten.

Griffins relaas geeft aan dat het duo Talibaan-Bin Laden niet begrepen, of bestreden, kan worden zonder een analyse van de binnenlandse twisten van Afghanistan en de destructieve rol die de buurlanden hierin speelden. Bin Laden mag dan zijn fantasieën ontleend hebben uit de Arabische wereld, maar het was de Centraal-Aziatische chaos die hem de mogelijkheden bood om zijn plannen te verwezenlijken. Het is in dit verband op z'n minst twijfelachtig of het louter bombarderen van de Talibaan of zelfs het uit de weg ruimen van Bin Laden in deze chaos orde kan scheppen. Als de Verenigde Staten werkelijk de oorzaken van Afghanistans gastvrijheid aan terroristen willen aanpakken, dan zullen zij moeten doen wat zij sinds 1992 verzuimden: een coalitieregering tot stand brengen, bij voorkeur met behulp van de Verenigde Naties. Bijna tien jaar later lijkt zo'n taak echter alleen maar moeilijker geworden, bedolven als het land nu is door de wapenleveranties van zijn buren en verscheurd door etnische en tribale conflicten. Griffins verslag doet ook vermoeden dat, zodra de rookwolken boven New York en Washington zijn weggetrokken, lastige vragen gesteld zullen worden over de dubieuze rol die Clintons ministers, diplomaten en veiligheidsadviseurs hebben gespeeld in de stormachtige carrière van de Talibaan. De aanslagen van 11 september hielden niet alleen verband met het tekortschieten van de Amerikaanse geheime dienst, maar ook met een chronisch falen van het gehele Amerikaanse buitenlandse beleid ten aanzien van Afghanistan en zijn buurlanden.

Michael Griffin: Reaping the Whirlwind. The Taliban Movement in Afghanistan. Pluto Press, 312 blz. ƒ70,–