Happen naar adem

Zelfverachting is een belangrijk thema in de boeken van Andrew Miller (1960). De Brit debuteerde in 1997 met de roman Ingenious Pain, die meteen bekroond werd met onder meer de International IMPAC Dublin Literary Award. Millers ideeën- en avonturenroman had een achttiende-eeuwse chirurg als hoofdpersoon die zowel in fysiek als emotioneel opzicht niet in staat is pijn te voelen. Een jaar later verscheen Casanova waarin Miller de Italiaanse hartenbreker zonder empathisch vermogen transformeert tot een sensibel mens.

Was het in Millers debuut een arts, in Oxygen is het terminaal kankerpatiënt Alice Valentine die haar leven in West County overdenkt. Haar twee zoons zijn naar huis teruggekeerd om haar bij het sterven bij te staan. Voor zover ze daartoe in staat zijn, want dertiger Alec wordt zozeer geplaagd door zijn onvermogen contact aan te gaan, dat hij zich terugtrekt in de spelonken van zijn geest. Alecs broer Larry lijkt de socialere van de twee, maar de eens gevierde soapacteur bestrijdt zijn huwelijks- en bestaanscrisis voornamelijk met drank en coke en optredens in pornofilms. Het wachten op de dood van hun wegterende moeder confronteert Alec en Larry met hun schuld- en schaamtegevoel en hun gemiste kansen op een gelukkig leven.

In Parijs woont de vierde hoofdpersoon, de Hongaarse toneelschrijver László Lázár wiens toneelstuk Oxygène vertaald wordt door Alec. László was als negentienjarige betrokken bij de Hongaarse opstand van 1956 en gaat sinds zijn vlucht ook gebukt onder schuldgevoel omdat hij zijn grote liefde Peter niet van de dood heeft gered. Als enige (buitenstaander) in de roman, krijgt László van Miller de kans zich van zijn schuld te ontdoen: hij aanvaardt de opdracht geld naar Boedapest te smokkelen voor de Kosovo-Albanezen die strijden tegen de Serviërs (de roman speelt zich af in 1997).

Oxygen is doortrokken van schuldbesef en determinisme. Larry ziet in dat zijn verhuizing naar het beloofde land Amerika een desillusie is geworden en trekt een parallel met het alcoholische leven van zijn gestorven vader. Alecs vertalers-block is symptomatisch voor diens existentiële angst, ook een erfenis van diens vader. Beide zoons overwegen zelfmoord, een overweging waarmee overigens meer personages in het boek koketteren.

Hoe zwaarmoedig ook, Miller betoont zich een superieur schrijver wanneer hij afdaalt in de gedachten van zijn personages en hun innerlijke Werdegang. Hun wanhoop en onvermogen is dermate beklemmend beschreven dat de depressie akelig voelbaar wordt. Maar dat effect wordt weer grotendeels teniet gedaan door Millers drang om plot, suspense en politieke relevantie aan Oxygen toe te voegen. Kleinigheden als de verwijzingen naar het moderne leven van Larry's Amerikaanse vrouw Kristie die aan yoga, zen, vegetarisme en overmedicatie voor hun astmatische dochter doet, zijn eerder spelbrekers dan humoristische vaartbrengers.

Erger is dat László's koerierschap – een poging om zich van zijn schuldgevoel te ontdoen – een onaannemelijke kunstgreep is. Je kunt je zelfs afvragen of Oxygen niet beter af was geweest zonder László's aanwezigheid. Dan had Miller misschien ook meer aandacht gehad voor Alice. Door haar rap aan de verdovende medicatie `te schrijven', laat hij haar in het zo mooi in gang gezette verhaal over de omgang met de naderende dood, links liggen.

Dergelijke structurele tekortkomingen maken van Oxygen uiteindelijk een onbevredigende roman. Prachtig schrijven kan Miller zeker, maar hij wilde te veel tegelijkertijd.

Andrew Miller: Oxygen. Sceptre, 323 blz. ƒ49,95