Geef ons onze plot

`Lees haar'. De aanbeveling op het omslag van Ali Smith' Hotel World is afkomstig van Jeanette Winterson. `Als je mijn werk ook graag leest', had daaraan toegevoegd kunnen worden. De gelijkenis tussen beide schrijfsters is verbluffend. Net als Winterson is Smith een ambitieus auteur die bij voorkeur schrijft over de liefde tussen vrouwen. Ook zij doet een beroep op het vermogen van de lezer om het verlangen naar een verhaal uit te stellen: `Hier is het verhaal; het begint met het einde,' lezen we in het eerste bizarre fragment. En ze weet dat sommige lezers daarvan niet zullen houden. `Here's the story, since you're so desperate for one', herhaalt ze, spottend, zelfs een tikje arrogant. Meer dan het verhaal telt voor Smith de taal, de vorm van een zin en de wijze waarop je een gevoel of een zintuiglijke ervaring kunt uitdrukken. En, net als Winterson, eist ze van haar lezers dat ze zijn ingevoerd in de literatuur(theorie).

Hotel World, een roman in zes fragmenten, is bij vlagen een schitterende mengeling tussen proza en poëzie. Maar wat in Wintersons werk kan storen, irriteert ook hier op den duur: de kunstmatigheid van het gestileerde proza laat je soms koud, en op die momenten verlang je hevig naar meer `plot'.

In Hotel World maken we kennis met een aantal vrouwen van een andere leeftijd en klasse. Wat hen bindt is een hotel. Sara werkt er als kamermeisje, Else is een zwerfster die voor het hotel geld bij elkaar probeert te sprokkelen, Penny is een journaliste die er een kamer huurt, Lise is de receptioniste die gasten hun kamers wijst, maar nu met vermoeidheidssyndroom thuis in bed ligt. Op knappe wijze maakt Smith de poëzie in de verschillende levens zichtbaar, van de taal van de zwerfster (`spr sm chn?') tot de absurditeit van de doktersformulieren die Lise in moet vullen.

Voordat de Schotse Smith (1962), die eerder twee verhalenbundels en een roman publiceerde, zich aan het schrijven wijdde, werkte ze in Cambridge aan een promotie-onderzoek naar Amerikaanse en Ierse modernistische schrijvers. Ze stopte daarmee, maar we vinden de liefde voor het modernisme terug in Hotel World. Tegen het eind van de roman is er een monologue intérieur van het zusje van Sara, die bijna veertig bladzijden beslaat. Anders dan in Jonathan Coe's The Rotters Club, waarin de waterval van zinnen een prachtige finale opleverde, schrikt de Molly Bloom-parade je hier als lezer af. Het is te veel. Na alle woordgrapjes die de lezer daarvoor al te verwerken kreeg, waarvan sommige op het flauwe af waren (`All we need is a coin, Penny said'), is hier niet langer een geloofwaardig personage aan het woord, noch voegt het iets toe aan de andere fragmenten. Hier eigent de schrijfster zich een personage toe voor een onleesbare exercitie.

Het einde dat erop volgt maakt echter veel goed. Smith' blik zwerft als een camera, over straat. Haar oog valt op een meisje dat in een horlogewinkel werkt. Zij heeft, verliefd als ze is, het horloge van Sara omgedaan, in afwachting van de dag dat ze het zal komen ophalen. Maar wij weten al dat die dag nooit zal komen, want de bizarre opening – het einde – beschreef de doodservaring van Sara in een etensliftje in het hotel. Het slot geeft het boek de samenhang en de (open) afronding van een verhaal waar de lezer – Smith heeft het goed gezien! – zo naar snakt.

Ali Smith: Hotel World. Hamish Hamilton, 246 blz. ƒ37,95