Een voorgerecht na de maaltijd

Schrijvers die hun laden legen in de hoop tussen hun oude paperassen nog iets publicabels terug te vinden, zijn gewoonlijk aan de rand van het graf of anderszins aan hun einde. Arnon Grunberg, sneller schrijvend dan wie ook in ons land, misschien zelfs wel dan Vestdijk, die toch ook al sneller schreef dan God kon lezen, begint er rond zijn dertigste vast mee.

`In Amuse-gueule bundelt Arnon Grunberg de ``vroege verhalen' die naar zijn mening de tand des tijds hebben doorstaan of die dermate curieus zijn dat ze niet gemist kunnen worden bij de bestudering van de wordingsgeschiedenis van zijn schrijverschap.'

Aldus, in de verantwoording tot slot, een zekere Frederik van der Kamp. Een man die hoog van Grunbergs kwaliteiten opgeeft, in de rug gesteund door lovende woorden uit zowel de vaderlandse als de buitenlandse pers, en daarbij alle trekken van de literaire boekhouder vertoont. Hij loopt meer warm voor het dateren van verhalen dan voor de verhalen zelf, schrijft zonder kraak of smaak en draagt dan ook nog de pantoffelnaam Frederik. Hij is zo'n vlekkeloze incarnatie van zijn taak dat je nattigheid voelt. Dit is een alter ego van de schrijver zelf.

Met die draai aan het slot maakt Grunberg van de uitgave een grap, zoals hij dat van bijna alles doet. Hij is een nihilist, zijn wereld is een onbewoonbaar oord, er wil geen menselijke waarde groeien. Maar dat mag een goed humeur voor hem niet in de weg staan. Want waar niets een waarde heeft, valt niets meer serieus te nemen en kan alles in een spel veranderen, een rollenspel waarin de wereld niet met jou dolt maar jij met de wereld. Het leven te slim af.

Maar in dit geval kan die ongrijpbaarheid toch niet verhullen dat Amuse-gueule een onverstandig boek is. Sinds zijn `vroege verhalen' heeft Grunberg zich verbluffend ontwikkeld – in de breedte naar zo'n beetje ieder denkbaar genre in de literatuur, en net zo makkelijk ook in de diepte. Hij behoort tot het soort maniakken dat van veelschrijven niet slechter wordt maar gek genoeg juist beter, scherper, eigener, en dat is wat je elke keer doet uitzien naar nieuw werk. Maar naar oud werk? Waarom na de hoofdmaaltijd van zijn recente werk in godsnaam een amuse-gueule? Is dat koken?

De bundel valt uiteen in ruwweg drie categorieën. Allereerst zijn er stukken die Grunberg in de jaren voor zijn debuutroman Blauwe maandagen (1994) liet verschijnen bij zijn eigen Stichting Kasimir, die daar in kleine kring een grote naam aan overhield als wanbetaler. Dan zijn er verhalen die iets later in het kielzog van romans ontstonden, als bijwerk, en ten slotte is er een selectie uit de feuilletons die in '95-'96 in het Cultureel Supplement van deze krant verschenen als `Brief uit Amerika'.

In die laatste categorie zit veel herkenbaar Grunbergs. Joden, te beginnen bij zijn eigen ouders, die een klap van de molen hebben gehad, door de oorlog of iets anders. Klussers die zichzelf als zanger zien, aan de vooravond van hun ontdekking. Bohémiens op leeftijd die de weg kwijtraken in hun leugens. Mensen op de rand, die tegen beter weten in manmoedig houvast blijven zoeken.

Zo'n figuur is ook de ik die in elk verhaal weer opduikt, als verteller annex personage, en de stukken zijn het sterkst wanneer die ik niet buiten schot blijft. Zoals in het prachtige, krankzinnige relaas van een brand in huis die Grunberg in verstandsverbijstering doet afreizen naar Las Vegas. In zo'n geval schiet je van het dagelijkse leven binnen in een werkelijkheid met heel nieuwe dimensies.

Maar vaak ontbreken die dimensies en vertellen de verhalen weinig meer dan zomaar een belevenis. Grunberg torst een meloen mee naar een feest. Gaat voor het eerst van zijn leven op jacht, of voor de zoveelste keer op cursus. Een makelaarscursus, een filmcursus, een danscursus, een Engelse cursus, Grunberg blijkt verzot op cursussen. Maar hoe vermakelijk dat ook mag zijn voor een entrefilet in de krant, gebundeld blijft het allemaal wel erg particulier en ikkerig.

De verhalen van de tweede categorie, ontstaan in de marge van het grote werk, maken het niet beter. `Tina II' is een losvast vervolg op het hoofdstuk `Tina' uit Blauwe maandagen, maar net even minder. `Kisselgoff' is een voorstudie op het Boekenweekgeschenk De heilige Antonio, met dezelfde vondst van tweelingbroers die een op Grunberg lijkende aanbidder van hun moeder bestuderen – maar net minder. Je begrijpt meteen waarom het eerder in de kast bleef liggen.

Grunberg zelf begrijpt dat blijkbaar ook, want hij hanteert een drastisch middel om de publicatie van een extra legitimatie te voorzien. Hij geeft een deel van de verhalen inleidingen mee die er de autobiografische achtergrond bij uitleggen. Zijn gooi naar het acteurschap. Zijn gang naar New York. Zijn omgang met een vrouw. Hij ondersteunt de verhalen met een tweede verhaal, anders gezegd, dat van zijn eigen leven. Dat is wat de aandacht vast moet houden.

Daardoor krijgt Amuse-gueule ook als geheel iets penetrant particuliers en ikkerigs. De kern van het geheel is niet het literaire werk, maar het ontstaan daarvan. De wordingsgeschiedenis van een schrijverschap, om Frederik van der Kamp te citeren, en die woorden blijken dus ineens veel meer te zijn dan een witz, op een of andere manier meent Grunberg het echt. Wij worden uitgenodigd tot de bestudering van het personage dat hij van zichzelf gemaakt heeft.

Amuse-gueule toont Grunberg daarmee van zijn minste kant. Het laat een egomane obsessie zien die in zijn oudere werk vaker opspeelt, te beginnen bij Blauwe maandagen. Maar het verdubbelt die nog eens, het slaat ermee op hol, en dat is des te hinderlijker als je weet dat zijn recente werk die kinderziekte aardig overwonnen heeft. Waarom zo blijven hangen aan je oude gebreken?

Toch staat er één stuk in de bundel dat ik onvergetelijk vind en dat het geheel nog bijna weet te redden. Niet omdat het boven die obsessie uitstijgt, maar omdat het die een onverwacht dramatische betekenis geeft. Het is `Brief aan M', een van de teksten uit de verre voortijd van Blauwe maandagen – door Frederik van der Kamp als `curiosa' afgedaan, maar eigenlijk de meest interessante uit het boek, omdat ze plotseling een heel andere Grunberg tonen. Zonder maskers en grappen. Naakt, op het genante af.

De M uit de brief is een vrouw die door de ik zo hopeloos vergeefs begeerd wordt dat hij over niets anders kan schrijven dan zijn onmacht, stotterend van pathos. Hij weet niet hoe hij zich met haar moet verbinden, of met wie dan ook. Hij zit gevangen in zijn eigen hoofd – en kan dus eigenlijk niet anders dan geobsedeerd zijn door zichzelf. Het enige wat hij kan is `proberen het woord uitzichtloos wat uit te stellen', en dat doet hij met behulp van andere woorden, want alleen in woorden omgezet worden de dingen draaglijk.

`Voor mij is het woord niet in de eerste plaats een middel om iets te vertellen,' zegt hij, `maar om aan iets te ontsnappen. Taal is een vlucht. Als je ondanks alles spreekt in taal ben je bezig aan een ontsnappingspoging uit een plek waar geen ontsnappen mogelijk is.'

Onthoud dat als je de rest van de bundel leest, met zijn tot grap gemaakte egomanie, en je begrijpt steeds beter waar dit `vroege werk' voor heeft gediend.

Arnon Grunberg: Amuse-gueule. Nijgh & Van Ditmar, 254 blz. ƒ38,–