Deze rijke crustacee

In 1954 mocht M. Vasalis het boekenweekgeschenk samenstellen: De muze en de dieren, een bloemlezing diergedichten uit verschillende tijden en talen. Tussen paard en schaap, haai en rups, coelacanth en cormorant, bul en terriër vond ik deze kreeft:

Kreeft om den ronden rand gekropen

krom in den uitgeschulpten rug

het talloos onderste in een loopen

griezelig verward en wriemelig vlug,

ruigte en harigheid en knoopen

pukkels en huidpuisten – als een uitslag

open,

en de tentakelen, de twee

kostbare met den prachtigen boog

gezwaaid over het puilend oog,

den mond, die druk is en leeft mee,

aan deze rijke crustacee.

Een geweldig gedicht, vond ik, bij eerste kennismaking, maar waarom? Een vies harig wriemelvers, maar met een mooi arrangement van ongebruikte en ongebruikelijke woorden. Sterke tegenstelling tussen onappetijtelijk onderwerp en trefzekere stijl. Ik zag pukkels en puisten, maar ook het mooie mysterieuze woord tentakelen. Er was krom gekruip en open uitslag, maar ook iets kostbaars en prachtigs, en aan het eind iets rijks. Het liep lekker, maar ik zou nog niet durven zeggen wat de strekking ervan was.

Het kreeftvers werd geschreven door J.H. Leopold (1865 – 1925), de dichter bij wie de woorden altijd klinken alsof ze zojuist gemaakt zijn. Glanzend, als pasgeslagen munten, nog niet afgesleten door jarenlang gebruik. `Het talloos onderste': nieuwe zegging voor het onduidelijke potengebeweeg aan de onderkant van een kreeft. Hoe de gang van zo'n kreeft te beschrijven? Met `een loopen': alsof de dichter zich voorlopig nog maar niet aan een nadere beschrijving durft te wagen. Nog zo'n halfnieuw woord, met een halfnieuwe betekenis: `uitgeschulpt'. En `griezelig', in `een loopen griezelig verward'. En de weinig gebruikte abstracte woorden `ruigte' en `harigheid', die hier juist de concrete oneffenheden van de pokdalige kreeftenhuid en diens haarachtige sprieterigheid moeten aangeven. En verder: `knoopen pukkels', `een uitslag open', `het puilend oog', een bij al dit harige gedoe druk bewegende mond.

Het is een vloed van onsmakelijkheden, dit gedicht, maar alles goed gezien en fris verwoord. Zie ook het zwaaien der tentakelen. Officieel luidt het meervoud tentakels, met een s, maar ik verbeeld me dat het trage bewegen van de twee grote kreeftenscharen met dit nieuwe meervoud veel beter gevangen is. En zie ook het slotwoord, waar het hele gedicht met al zijn opsommingen naar op weg is, de bekroning van het portret: `deze rijke crustacee'. Het klinkt als een duur Frans synoniem voor een exclusief sieraad, een parelcollier, een precieuze edelsteen – al is het in werkelijkheid alleen maar de vernederlandsing van de wetenschappelijke naam voor de klasse der schaaldieren (crustacea) waartoe de kreeft behoort.

Er valt nog veel meer te zeggen over dit gedicht. Over het levendige, bijna vrolijke ritme, met in zowat elke regel een dartel dactylisch huppeltje. Over het volop aanwezige, maar nergens opdringerige eindrijm. Over allerlei klankduo's (talloos – loopen, griezelig – wriemelig, prachtig – puilend) binnen de regels. Het draagt allemaal bij aan het wonderlijke contrast tussen schone vorm en lelijke inhoud. Zou daar de eerste les van dit gedicht in schuilen? Heb eerbied voor de gehele schepping? Of zou de dichter er een esthetische bedoeling mee gehad hebben: ook in het zogenaamd lelijke zit veel schoons verborgen? Of miste ik misschien ergens een clou? Ging dit gedicht helemaal niet over een kreeft, maar over, zeg, een eeuwenoude Chinese soepkom of een antieke Japanse schelpdierenschaal? Of over een kunstig bewerkte broche, door de dichter op zijn beurt kunstig met een kreeft vergeleken? Je kon ook nog aan verholen erotiek denken, met die rug en dat onderste en die mond en dat gezwaai met zekere tentakeldelen.

Ik besloot de wetenschappelijke uitgave van Leopolds poëzie erop na te slaan. Daar zag ik om te beginnen dat dit gedicht minder voltooid was dan in de door Vasalis geciteerde versie. Er waren her en der nog wat open plekken en varianten. Het woord `huidpuisten' was door de dichter nooit bedoeld (maar het al even pleonastische `huidpukkels' weer wel). In plaats van mond had Leopold ook nog `zuigmond' overwogen, maar misschien ook wel `stekelkop', en daarnaast `sierselen', of `siersels'. Ook mooi allemaal. Maar het meest verbluffende nieuwe gegeven was wel dat dit gedicht volgens de editeuren Van Vliet en Sötemann deel uitmaakte van `een min of meer voltooide reeks gedichten' die op grond van haar inhoud een `maan-cyclus' genoemd zou kunnen worden. Dat betekende niets meer of minder dan dat dit kreeftengedicht geen gedicht over een kreeft was, maar een maanportret, net als de andere gedichten in de reeks. Een zilveren spiegel, een gerimpelde reinette, een benen schedel, een fijn edel veertje, een groene uitgeholde schil van een schijf meloen, `beschimmeld en bedorven' en nu terechtgekomen `ginds in den vuilhoek van het hemelhuis': allemaal beelden voor de maan. Hoe zouden we intussen in deze kreeft een maan moeten zien? Moesten we aan een sikkelmaan denken, de beide uiteinden van de sikkel gevormd door de scharen van de kreeft? Of aan een volle of bijna volle maan, met een om zijn eigen staart gekrulde kreeft, en alle zichtbare maanvlekken en kraterputjes als diens pukkels en puisten? Het viel aanvankelijk niet mee, maar langzaam begon het te werken, deze transformatie van het levende en dichtbije en eetbare viezige beest naar de bleke hemelschijf, hoog in de lucht, ver weg en verstild. En omgekeerd, nog mooier: de maan als een bedachtzaam dier dat traag van achter zijn eigen donkere schaal te voorschijn gekropen kwam, met langzaam zwaaiende tentakelen, zich krullende om zichzelf en aldus langzaam zijn eigen schaal vullende – om daarna weer weg te kruipen, naar de donkere kant van de maan. Het is even wennen, maar spreken wij vanaf heden van nieuwe en volle kreeft. Een heel jaar telt twaalf kreeften.