De hele naoorlogse nep moet worden beschreven

Aan de nieuwe cyclus wordt nog getikt, maar de vijftigste verjaardag van A.F.Th. van der Heijden wordt toch gevierd. Met ruim dertig brieven over het werk en de uitvoering, die soms een martelgang lijkt.

Een hoogtijdag in de Nederlandse literatuurgeschiedenis zal het niet worden, maar onopgemerkt zal maandag 15 oktober 2001 evenmin voorbijgaan. Ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van A.F.Th. van der Heijden verschijnt dan wel geen deel van zijn nieuwe romancyclus Homo duplex, maar wel is er Gevouwen woorden. Brieven over de grillen van het vak. En smachtende liefhebbers kunnen gerust zijn: Gevouwen woorden is geen `Dood van een aangekondigde Kroniek', oftewel, zoals Querido-uitgever Lidewijde Paris het in het voorwoord zegt: `A.F.Th. tikt nog'. Het eerste deel wordt in februari verwacht.

Het verjaarsboek bevat ruim dertig brieven van de auteur uit de afgelopen dertig jaar, vrijwel zonder uitzondering gericht aan medewerkers van zijn uitgeverij, Querido. Hoogtepunt is echter het tien pagina's lange epistel dat de 24-jarige Van der Heijden op woensdagmiddag 21 juli 1976 aan uitgever Geert van Oorschot schreef ter begeleiding van een aan hem aangeboden gedicht. `In Godsnaam dan maar – ik moet er ooit vanaf. Het ligt hier toch maar. En geen mens die het op die manier leest.' Van der Heijden introduceert zichzelf als `een gewone provincienaam, die nog aan niemand in jullie wereld bekend is'.

Dorst

Met verve zet hij Van Oorschot het een en ander uiteen over zijn prille schrijverschap. Bijvoorbeeld over zijn moeizame pogingen in Rome iets over die stad te schrijven: `Hoe ik ook wikte – ik kreeg geen letter op papier. Hoe ik ook zuchtte op terrasjes. Wat ik mezelf ook wijsmaakte; te warm hier – veel te warm. En dan die voortdurende dorst. Of: ik kan niet poepen hier, met dit klimaat – dat is het.' Hij geeft `woorddronkenschap' en de neiging om zichzelf te expliciteren op als kwalen waaraan hij als ongepubliceerd auteur nog lijdt. En hij komt met een programma: `Ik ben nog jong – ik draai nog geen kwart eeuw mee. Een kwart eeuw, het derde kwart van deze eeuw – precies het tijdvak dat bestreken wordt door mijn roman Knapensluimer, waar ik hierboven al even mee koketteerde. Precies mijn leven. De hele van God verlaten waanzin van mijn tijd moet erin beschreven worden. De hele naoorlogse nep. Onder pseudoniem overigens.'

Van het pseudoniem Patricio Canaponi zou Van der Heijden na een paar jaar afstand doen, maar verder heeft hij zich aan zijn voornemens gehouden, zij het dat de roman uiteindelijk een oeuvre bleek te zijn.

De recentere brieven over Homo duplex hebben iets verontrustends, juist omdat de boeken nog niet af zijn. Al lezend bekruipt je de vage angst dat het openbare leven van de cyclus beperkt zal blijven tot de brieven waarin Van der Heijden zijn uitgevers uitlegt wat er op stapel staat: een moderne Oedipus met een belangrijke rol voor voetbalvandalisme. (`Wat een draak, aldus verteld! zul je misschien op dit punt gekomen uitroepen', schrijft hij nadat hij redacteur Anthony Mertens een synopsis heeft voorgelegd).

Dat Van der Heijden geen schrijver is die eenvoudig van synopsis naar boek schrijft, was bekend, maar uit Gevouwen woorden wordt vooral duidelijk hoezeer dat het schrijfproces voor hemzelf tot een martelgang kan maken. Zeker omdat de buitenwereld met zijn productieschema's en publiciteitsplannen vooral baat heeft bij duidelijke afspraken. Het probleem wordt het meest inzichtelijk in een brief die niet is geschreven door Van der Heijden zelf, maar door zijn echtegote Mirjam Rotenstreich: `Het is verre van Adri om jullie planning (opnieuw) te doorkruisen, maar hij kan niet blind zijn en jullie evenmin voor bovenbeschreven nieuwe ontwikkelingen die blijkbaar gedicteerd zijn door de innerlijke logica en noodzaak van het project.' Uitstel dus, later in de brief spreekt Rotenstreich het vermoeden uit dat Van der Heijden `er een beetje onder aan het bezwijken is'.

Juist omdat de publiciteitsmachine van de uitgeverij anderhalf jaar geleden al op volle kracht draaide, komen er nogal wat verontschuldigingen voor in de brieven over Moeilijke voeten, het eerste deel van homo duplex. Inmiddels heeft Van der Heijden, zo blijkt uit de laatste brief in het boek, zelf last van een voetenkwaal: `Ik ben ouder en zwaarder geworden, en heb van tijd tot tijd last van jicht in een van mijn grote tenen (wat volgens de artsen met drankgebruik te maken heeft, maar dat weet ik zo net nog niet: ik kreeg er voor 't eerst hinder van een paar dagen nadat ik de titel Moeilijke voeten boven een manuscript had gezet)'.

Maar de grootste kwaal van Van der Heijden is wat in de ondertitel `de grillen van het vak' heet. De brieven geven het verslag van een schrijverschap dat zich zozeer in de breedte uitstrekt dat het de auteur soms te veel dreigt te worden. Hij maakt schema's met een looptijd van honderd dagen om zichzelf aan de werktafel te krijgen (`Nu ik al zo lang ondergedoken zit, [...] zit het alcoholische pretduiveltje in mij des te alerter op zijn kansen te loeren'). Eenmaal begonnen met schrijven blijkt hij overgeleverd aan de stroom van zijn eigen woorden. Ze waaieren uit, waarna eindeloze sessies van knippen, plakken en monteren de verschillende passages uiteindelijk op de juiste plaats moeten doen belanden.

Van der Heijden sluit zich, zo lijkt het, voor het maken van Homo duplex steeds meer op: op het afscheid van Querido-directeur Ary Langbroek laat hij zich vertegenwoordigen door zijn vrouw, zoals hij ook een lange brief over het gewenste omslag van het boek afsluit met de waarschuwing; `Ik heb geen tijd, verder, en geen concentratie om met jullie over ontwerpen te vergaderen en te discussiëren.'

Working class hero

Dat het harde werk en het lange wachten de moeite waard zijn, wordt benadrukt doordat het grootste deel van Gevouwen woorden gaat over boeken die al lang en breed verschenen zijn, zoals de cyclus De tandeloze tijd, ooit levend onder de werktitel `working class hero', waar Van der Heijden uiteindelijk vanaf zag toen de dood van John Lennon die uitdrukking weer al te zeer in de belangstelling bracht. Over Advocaat van de hanen: `Uitgaande van een dergelijke opdikking, kom ik aan een heel voorzichtige schatting van ruim 250 pagina's'. Naast de al gememoreerde presentatiebrief aan Geert van Oorschot zitten er nog meer mooie en interessante brieven bij. Zo liet Van der Heijden zijn onder het pseudoniem Patrizio Canaponi geschreven verhalen naar tijdschrift De Revisor sturen door `drs. A. Egbers', de latere hoofdpersoon van De tandeloze tijd. `Tenminste één van de inzendingen verdient m.i. geplaatst te worden', besluit Egbers zijn begeleidend briefje. Elders probeert Van der Heijden een onwillige belastinginspecteur te overtuigen van de noodzaak van bepaalde aankopen: `Zonder de esthetica van Schopenhauer was ik nooit de schrijver geworden die ik nu ben.'

Gevouwen woorden is zo een mooie tractatie voor de wachtenden, die bovendien aan het slot van de laatste brief kunnen constateren dat de auteur er weer zin in heeft: `Ik heb mezelf bevrijd van een heleboel tijdverspillende en energie opslokkende schijnbezigheden, en schrijf nu alleen nog. Het geeft me de gewaarwording nog een oceaan van leven voor me te hebben. Er was me beloofd dat het leven bij veertig begon. Mis. het is begonnen bij nadering van vijftig. Maar dan ook echt. Vanuit de kern.'

A.F.Th. van der Heijden: Gevouwen woorden. Brieven over de grillen van het vak. Querido, 112 blz. ƒ10,–