De harem van de sultan (1)

Aangezien mijn vrouw er werk te doen had, reisde ik met haar mee naar Istanbul, alwaar ik als nutteloze echtgenoot werd ingedeeld bij het ladies' program. Dat laatste zinde mij maar matig, maar dat veranderde toen ik ontdekte dat wij ook een bezoek zouden brengen aan het Topkapi Paleis en in het bijzonder aan de voormalige harem. Wat is er mooier dan, als man verstopt in een ladies' program, mee te lopen in de harem van de sultan?

Dertig jaar geleden was ik ook al eens in Istanbul geweest en sindsdien zijn de Turken mij altijd dierbaar gebleven. Dwars door de Balkan ben ik toen naar Istanbul gelift. Ik bracht hele dagen door in de Bazaar, waar ik al mijn geld opmaakte aan sieraden, borden, waterpijpen en andere snuisterijen. Ten slotte kocht ik van mijn laatste lira's een treinkaartje naar Amsterdam en kwam in een coupé te zitten met een grote Turkse familie. Onderweg kreeg ik worst en Spaanse pepers aangeboden, die vervolgens werden afgeblust met een slok raki, zodat wij enigszins aangeschoten de Bulgaarse grens bereikten.

Het was nog nacht en de trein arriveerde op een met schijnwerpers verlicht rangeerterrein. In het felle licht waren hoge wachtposten zichtbaar en buiten stonden soldaten met honden ons op te wachten. Het was nog de tijd dat Bulgarije werd geregeerd door een hartvochtig communistisch regime. Even later kwamen ze binnen, de gewapende douane, snauwend om paspoorten en andere papieren. Ze verlangden tien dollar voor een doorreisvisum, maar al mijn geld was op. Er ontstond een vernederende schreeuwpartij, en ik moest meekomen, de trein uit. Toen sprong een van de Turken op en betaalde voor mij de tien dollar.

Daarmee is het verhaal van die gedenkwaardige treinreis echter nog niet afgelopen. Ik raakte in gesprek met de gulle gever die mij had gered. Hij woonde in een pension in Wijk aan Zee, want hij was gastarbeider bij de Hoogovens. Ik noteerde het adres en beloofde het geld bij de eerste gelegenheid terug te brengen. Toen stopte de trein ook bij de Nederlandse grens en weer werden onze papieren door douaniers gecontroleerd. Mijn gulle gever werd eruit gepikt en moest meekomen. Wat kon ik doen? Ik moest er achteraan, maar ze waren al weg. Even later vertrokken wij zonder hem. Nadien ben ik verschillende malen met tien dollar naar het opgegeven adres in Wijk aan Zee gegaan, maar mijn Turk heb ik nooit meer teruggezien. Nog altijd voelt het alsof ik een verplichting tegenover de Turken te vervullen heb.

Destijds was een klein tentje mijn slaapplaats, maar dit keer logeerden wij in Pera Palas, het beroemdste hotel van Istanbul. Greta Garbo schijnt er geslapen te hebben, Charles Boyer, Josephine Baker en Jacqueline Onassis. Kamer 101 is de kamer waar Atatürk altijd verbleef. Op een zondagmorgen laat ik mij erheen brengen. Voorzichtig wordt de deur van dit heiligdom voor mij opengedaan. Het is nu een klein museum. Zijn bed staat er nog en ook het kopje waar de vader aller Turken zijn koffie uit dronk. Overal hangen grote foto's aan de muur. Je ziet een energieke man in westerse kleren. Dan gaat het met de lift naar kamer 411. Het is een lift met gietijzeren deuren, die puffend en piepend langs tussen de verdiepingen op en neergaat.

Zoals alles in Istanbul is ook dit hotel vergane glorie. De oorspronkelijke lift is er nog, niet uit historisch besef, maar omdat er nooit geld is geweest voor een nieuwe. Kamer 411 is de kamer waar Agatha Christie logeerde en waar zij haar idee voor Murder on the Orient Express zou hebben gekregen. Ook hier staat een eenvoudig stalen bed. Er hangt een affiche van Agatha Christie en een boekenkastje pronkt met een plankje beduimelde boekjes van de auteur.

Omdat het hotel vlak naast het Amerikaanse consulaat ligt, is het wegens De Situatie moeilijk te bereiken. De straten naar het consulaat zijn afgezet en overal patrouilleren gewapende soldaten. Maar achter het hotel ligt een platgetrapt binnenweggetje. Halverwege staan twee besnorde mannen, die zich lang niet geschoren hebben. Op de grond ligt een windbuks. Als ik dichterbij kom, begrijp ik wat de bedoeling is. Tussen de struiken is een waslijn gespannen waaraan roze en lichtblauw gekleurde ballonnetjes zijn bevestigd. Kennelijk zijn de twee mannen erin geslaagd in dit verboden gebied toch nog een kleine nering voor toeristen op te zetten.

Ik maak me al op om een afwerend gebaar te maken, als van de andere kant een man nadert die wordt vergezeld door een zwaar gesluierde vrouw. Aangekomen bij de steen met de windbuks buigt de gesluierde vrouw zich voorover en fluistert de man met wie ze oploopt iets in het oor. Er volgt een pantomime van bewegingen die ik nooit eerder heb gezien, maar ten slotte richt de man zich tot de twee windbukshouders.

Men zegt wel eens dat de vrouw in de islam een vreugdeloos bestaan leidt, waarbij ze voornamelijk binnen moet zitten, de kinderen verzorgend, om als een halve slavin haar man te moeten volgen, die haar ook nog kan verstoten wanneer hem dat belieft. Maar dat beeld moet een eenzijdig beeld zijn. Even later gaat de gesluierde vrouw op haar hurken zitten en krijgt zij de windbuks aangereikt. Bij haar gezicht schuift zij de sluier een tikje opzij en richt het geweer op de ballonnetjes. Drie mannen kijken toe hoe zij trefzeker de ballonnetjes één voor één afknalt. Als het rijtje ballonnen is verdwenen, richt ze zich op en geeft de windbuks terug. Ze wordt gefeliciteerd. Dan pakt ze de hand van de man die bij haar hoort en trekt hem mee, opgewonden kirrend, maar door haar kleren weer even vormeloos als een baal hooi.

Ik loop terug naar ons hotel. Onze kamer kijkt uit op het dak van het Amerikaanse consulaat, dat vol staat vol met schotels, antennes en andere communicatieapparatuur. Rond het gebouw zie ik de militaire afzettingen, maar vanaf deze plaats zou ik met een bazooka op de schouder grote schade kunnen aanrichten.

Dan gaat de telefoon. Het busje voor het Tokapi Paleis staat klaar. Mijn vrouw is elders in de stad aan het werk. Vermoedelijk voert zij nu, omringd door een groepje Turkse mannen, het hoogste woord. Ik verheug mij op het bezoek aan wat eens de grootste harem ter wereld is geweest. Ooit moeten hier zeker driehonderd beeldschone meisjes en vrouwen hebben gewoond. Wij kregen een lezing over blanke slavinnen en polygamie. Echt iets voor mij.

(Wordt vervolgd)