De Haagse hufterigheid

Mooi woord: hufterigheid. Het woordenboek geeft er de betekenissen onbeschoft en ongemanierd aan. Uit het woord straalt ook een zekere agressie. Het is in elk geval zeker geen neutraal woord. Wie het woord hufterigheid in de mond neemt, spreekt daarmee tevens een ongezouten negatief waardeoordeel uit.

Aan de Partij van de Arbeid komt de eer toe het begrip hufterigheid in de politiek te hebben geïntroduceerd. In het vorige maand gepresenteerde ontwerpverkiezingsprogramma van de partij wordt in de algemene inleiding gesteld dat ,,vrijheid en tolerantie hier en daar zijn uitgemond in slordigheid en regelrechte hufterigheid''. Tijdens de algemene politieke beschouwingen in de Tweede Kamer nam VVD-fractievoorzitter Dijkstal het woord direct over. En afgelopen zaterdag tijdens een PvdA-bijeenkomst bracht PvdA-fractievoorzitter Melkert de hufterigheid opnieuw onder de aandacht. Assertiever optreden daartegen was nodig. ,,Aanspreken in plaats van laten gebeuren'', aldus Melkert ,,want alles hoeft helemaal niet te kunnen''.

Het is duidelijk wat één van de speerpunten van de PvdA in de verkiezingscampagne gaat worden: de strijd tegen de hufterigheid. Dit thema verraadt de hand van Eberhard van der Laan, onder wiens voorzitterschap het ontwerpverkiezingsprogramma van de PvdA is opgesteld. Als lijsttrekker van de PvdA in Amsterdam profileerde hij zich in 1994 als `nieuw flinkser' die een eind wilde maken aan de verloedering in de stad. Niet dat het veel heeft geholpen, want de voorbeelden van het vermaledijde hufterig gedrag die Melkert afgelopen zaterdag aanhaalde kwamen bijna allemaal uit Amsterdam.

Maar goed, volgens de PvdA zijn vrijheid en tolerantie dus te vaak uitgemond in ,,regelrechte slordigheid en hufterigheid''. Vraag: wat is het verschil tussen deze constatering en de volgende zin: ,,de burgerzin en in zijn verlengde de tolerantie worden ook bedreigd wanneer de overheid de burgers niet meer tot steun is bij het tegengaan van verslonzing en verloedering''. Antwoord: elf jaar. Want het was de toenmalige fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer, Thijs Wöltgens, die deze woorden op 9 oktober 1990 in het parlement tijdens de algemene beschouwingen uitsprak.

Wöltgens hield toen een opvallend hard verhaal tegen de `permissive society'. ,,Waar de berekenende burger en een lakse overheid elkaar omhelzen, wordt de publieke moraal vermalen'', aldus Wöltgens die het bestrijden van de criminaliteit, de onveiligheid in het algemeen en het op orde houden van de openbare ruimte kenschetste als één van de kerntaken waarin de overheid tekortschoot. De PvdA was toen na een lange afwezigheid net weer een jaar in het landsbestuur opgenomen. Het was nog voordat de partij door Wim Kok in een toespraak van haar ideologische veren zou worden ontdaan, (dat was in 1995), maar de contouren van de realistische, zich op het electorale midden richtende PvdA, waren al volop zichtbaar. De `waarden-en-normen'-toespraak van Wöltgens paste kortom volop in die trend.

Aardig was de verzuchting van Wöltgens dat nu toch echt werk moest worden gemaakt van het tegengaan van zwartrijden in het openbaar vervoer. ,,Het is allemaal bekend, het is allemaal al honderd keer gezegd, maar het moet nu eindelijk eens gaan gebeuren''. Dat was, voor alle duidelijkheid, dus 1990. Wat zeggen de gegevens van het Amsterdams Gemeentelijk Vervoerbedrijf uit 2001? Elf procent van de reizigers in het openbaar vervoer rijdt zwart. Voor de metro bedraagt dit percentage zelfs 25 procent.

Nog één citaat uit Wöltgens' toespraak van elf jaar geleden: ,,De overheid heeft grote moeite de door haar gestelde normen te handhaven. Hoe krijgen we die rechtshandhaving weer op een wenselijk niveau? En wat zei Melkert afgelopen zaterdag in zijn toespraak voor het PvdA-kader? ,,Vanochtend lezen we in de Volkskrant dat de politie één miljoen aangiften niet in behandeling neemt. Daar mogen we niet in berusten''.

Aan goede voornemens ligt het niet. Nu de resultaten nog. De nieuwe fatsoenscampagne die de PvdA onder leiding van Melkert is begonnen, blijkt in werkelijkheid niet meer dan een manifestatie van bestuurlijk onvermogen. Tussen de woorden van Wöltgens en die van Melkert liggen elf jaren waarin de PvdA onophoudelijk regeringsverantwoordelijkheid droeg. Van de vorige maand gepresenteerde begrotingsstukken straalt de paarse praal af: wat is het allemaal niet geweldig gegaan, de afgelopen jaren. Maar op het terrein van de sociale veiligheid heeft de PvdA het volledig laten afweten en zijn strenge aankondigingen blijven steken in machteloze waarnemingen.

Waren de pretenties te groot of de instrumenten te beperkt? Beide. Maar juist omdat de instrumenten beperkt zijn is het zaak dat een politicus niet al te grote pretenties ventileert. Melkert kan dan wel bezorgd vaststellen dat de zweminstructeur nog nauwelijks aan het geven van zwemles toekomt omdat alle tijd op gaat aan ordebewaring, maar tegelijkertijd is het een opmerking van generlei waarde. Het gedonder in zwembaden is in de eerste plaats een kwestie van opvoeding en daar gaat de PvdA (nog net) niet over. En zo is het met zoveel zaken die onder de categorie hufterigheid vallen. Heel ergerlijk allemaal, maar niet echt iets voor politici.

Als Melkert zich zou beperken tot zaken waar de overheid wel een rol speelt, heeft hij het overigens al druk genoeg. En dan gaat het niet alleen om voornemens maar ook om het rekenschap afleggen voor alles wat mislukt is. Niets is omineuzer dan een minister-president die aan het eind van zijn twee regeerperiodes zegt dat een volgend kabinet een eind moet maken aan de gedoogcultuur. Weg met de hufterigheid. Maar zou het niet goed zijn om met de eigen, Haagse hufterigheid te beginnen?