Bloedkun je niet schilderen

Op drie exposities verspreid over het land is te zien dat kunstenaar Ad Gerritsen zich laat inspireren door de donkere kant van het leven. `Ik schilder nu eenmaal geen bosjes tulpen.'

Aan de voet van een heuvel in de bossen bij het Gelderse Oosterbeek werd omstreeks 1920 een dorpje gebouwd vol lieflijke, rietgedekte huizenrijtjes in cottage-stijl. Het was bedoeld voor de werknemers van de rubberfabriek Hevea die hier tot de sluiting in 1977 vlak in de buurt stond. Aan de top van de heuvel woonde de fabrieksdirecteur die ook optrad als een soort burgemeester van `zijn' dorp. Heveadorp is voor een deel behouden gebleven, maar de winkels zijn verdwenen en ook het romantische schoolgebouwtje heeft een andere bestemming gekregen: het kwam in handen van de Arnhemse Stichting Leniging Ateliernood Kunstenaars. Sinds een jaar of twaalf heeft beeldend kunstenaar Ad Gerritsen (Arnhem, 1940) zijn atelier in een van de vier schoollokalen in het stille Heveadorp.

Boven het oude lessenaartje waaraan we zitten te praten, hangt een afbeelding van Johanna de Waanzinnige naast een foto van een mannenkop met twee donkere ogen boven een openhangende mond vervaarlijk in zijn onnozelheid. Midden in het atelier toont een schilderij het bovenlijf van een liggende man in een vrolijk rood jasje tegen een zwart-paarse achtergrond. Zoals alle doeken van Gerritsen is het koel en beheerst geschilderd. Lichtblauwe verfstreken langs de wangen en de gesloten ogen geven de man een bleek aanschijn. Het lijkt of hij dood is, hoewel hij evengoed zou kunnen slapen. Gerritsen: ,,De aanleiding tot dit schilderij was een zwart-wit foto van een dode man uit het boek Moord in Rotterdam. Maar in mijn versie laat ik in het midden of hij dood is of slaapt. Als ik me daar duidelijk over zou uitspreken, dan zou ik mezelf te veel beperken bij de ontwikkeling van het schilderij.''

Op de foto is het overhemd van de vermoorde man doordrenkt van bloed. Het geschilderde overhemd is kraakhelder. Gerritsen: ,,Bloed kun je niet schilderen. Bovendien zijn foto's niet meer dan een uitgangspunt voor mijn schilderijen.'' Hij laat zien hoe hij ze gebruikt. Op een doorzichtig vel trekt hij de contouren van een foto over, met weglating van details. Het overgetrokken beeld projecteert en tekent hij vervolgens op het doek. Daarna begint het schilderen. ,,Bij het schilderij van de liggende man had ik geen idee waar het heen zou gaan. Ik wist alleen dat ik een rood jasje tegen een groene achtergrond wilde, ik ging uit van de kleuren. Maar dat rood tegen groen werd te esthetisch en de figuur kwam niet los van de achtergrond, daarom heb ik die donkerpaars gemaakt. Ik moet altijd hard knokken om een schilderij voor elkaar te krijgen, onder elke verflaag zitten er nog een paar.''

Het boek Moord in Rotterdam bevat een reeks foto's van gedode mensen uit het Rotterdamse politie-archief. De verse lijken liggen op straat, in bed, in de auto of thuis op de keukenvloer of de canapé. Gerritsen toont andere foto's uit het boek die hem tot een schilderij aanzetten: een foto van een dode vrouw in een uitbundig geborduurde jurk en van een keurige meneer die met een onaangedaan gezicht aan een café-tafeltje zit terwijl naast hem op de vloer een neergestoken man ligt. Op mijn vraag wat hem zo aanspreekt in deze lugubere scènes zegt Gerritsen: ,,Je schrikt je kapot als je zo'n boek ziet, maar het heeft ook een vreemde aantrekkingskracht. Waarom waren mensen niet meer van de televisie te slaan toen het WTC in brand stond? Het fascineert je. Je kunt het niet bevatten. Je kijkt en denkt: hoe is het mogelijk. Bij die moord-foto's kreeg ik meteen de neiging om er iets mee te doen. Ik vroeg me af hoe je van dat soort beelden schilderijen kunt maken die niet meer de referenties hebben van een politiefoto. Als ik aan een schilderij bezig ben, wil ik loskomen van de huiveringwekkende sfeer van zo'n foto. Maar tegelijk trekt het me ook aan. Bij een goed schilderij word je verleid door de schoonheid, de esthetiek, maar er moet ook iets zijn waardoor het niet meer uit je hoofd te wissen is.''

Bosjes tulpen

Ad Gerritsen heeft dit najaar drie exposities. In het Dordrechts Museum is een overzichtstentoonstelling ingericht van schilderijen, tekeningen en grafiek uit de laatste twintig jaar, de Amsterdamse Wetering Galerie toont recente schilderijen en in Zevenaar, waar hem deze week de Gelderland Grafiekprijs 2000 werd uitgereikt, wordt grafiek geëxposeerd. Eind deze maand verschijnt bovendien een monografie over zijn kunst. Grijnzend vertelt hij dat het boek Het ontstellende werk van Ad Gerritsen zal heten. De titel van een publicatie van het Dordrechts Museum duidt ook al niet op een luchthartig oeuvre: De verstilde treurnis van Ad Gerritsen.

Gerritsen: ,,Ik schilder nu eenmaal geen bosjes tulpen, of landschapjes. Mijn onderwerpen hebben vaak een besmet verleden. Ik merk dat mensen die mijn werk zien, ook kunstverzamelaars, er meestal lang over doen voor ze het mooi vinden en kunnen waarderen. Mensen vallen er niet op het eerste gezicht voor en het is dan ook geen werk dat je moet inzenden voor een prijsvraag. Ik herinner me dat ik het zo'n vijftien jaar geleden voor het eerst liet zien aan Michiel Hennus van de Wetering Galerie. Ik had een serie schilderijen gemaakt, Verbeelde zinnebeelden, geïnspireerd op de fysionomie. De achttiende-eeuwse fysionomen legden een verband tussen het uiterlijk van een persoon en zijn karakter en ze maakten hele catalogi van gelaatsuitdrukkingen die typerend waren voor gemoedstoestanden als woede, blijdschap, hysterie of angst. Die schilderijen toonden een reeks emotionele koppen gebaseerd op stereotypen uit de fysionomie met daartussen allerlei symbolen voor het kwaad zoals een roede, mes, dolk en gifbeker. Toen Hennus dat werk zag, was zijn eerste reactie: `Ik moet er niet aan denken dat ik daar een hele maand mee in de galerie moet zitten.' ''

In ons gesprek komt Gerritsen herhaaldelijk terug op de fysionomie: ,,Als wetenschap is het allang achterhaald, maar vooroordelen over bepaalde types zijn niet verdwenen. Denk aan `dom blondje', of `langharig werkschuw tuig'. Of kijk naar de casting van films: bij een niet al te goede film weet je binnen twee seconden wie de goedzak is en wie de schurk.'' Hij laat me een oud boek zien over de Gesichtsausdrücke der Menschen, waarin het zigeunermeisje ons weemoedig aanblikt en de kop van de idioot verstard is tot een enge grimas. ,,Met behulp van de fysionomie kon je van alles beweren over goed en kwaad. In de 19de eeuw ontwikkelde de Italiaanse criminoloog Cesare Lombroso theorieën over de karakteristieke gelaatstrekken van misdadigers. Omstreeks 1910 werden op grond van die theorieën in Italië grote groepen anarchisten opgepakt. Mensen zijn altijd bezig geweest met dit soort dubieuze generalisaties. Sinds de Tweede Wereldoorlog is het taboe om over soorten en rassen te spreken. Maar ideaalbeelden of clichés over allerlei groepen mensen blijven bestaan. In mijn werk probeer ik dat soort ingesleten opvattingen wat te relativeren.'' Hij vertelt over een reeks portretten die hij in 1998 maakte, gouaches van op het eerste gezicht nogal ongure sujetten. ,,In die portretten probeerde ik de psychiatrische typering van geestelijk gestoorden te combineren met de ideaalbeelden van verschillende rassen zoals die vroeger in de aardrijkskundeboeken stonden: het Aziatische type, of het Noorse type. Ik was nieuwsgierig wat er dan zou ontstaan.''

De fysionomie inspireerde hem ook tot een serie grote tekeningen van beruchte criminelen uit het verleden: ,,Ik vond twee boeken met verhalen over prachtige, creatieve misdaden. Zoals het verhaal over de moordenaar Tom-Tom die een giftige duizendpoot door een gat in het plafond liet zakken bovenop degene die hij van kant wilde maken. Die boeken waren geïllustreerd met standaardfoto's van criminelen die emotieloos in de camera blikken. Ik dacht: daar moet ik een soort staatsieportretten van maken. Nee, niet om mijn sympathie of begrip tot uitdrukking te brengen, daar heeft het niets mee te maken. Ik wilde kijken of ik die mensen op een andere manier kon weergeven dan op die foto's.''

Banketbakker

Na de ambachtsschool volgde Ad Gerritsen in Arnhem een opleiding tot banketbakker. ,,Een oom van me had een banketbakkerij in Nijmegen. Het was mijn moeders diepste wens dat ik ook een eigen zaak zou hebben. Dat was voor haar de top. Maar ik had altijd getekend en geschilderd en toen ik een jaar of achttien was kwam er de klad in dat bakken. Ik besloot mijn banketcarrière op te geven.'' Hij ging in militaire dienst en daarna naar de Arnhemse kunstacademie, waar hij het anderhalf jaar uithield: ,,Ik kwam in aanvaring met de hoofddocent. We zaten met houtskool stillevens te tekenen en die man corrigeerde mijn tekening met een rood potlood. Het bloed schoot me achter mijn ogen, ik kon het niet hebben. Het was een autoritaire man, die ons via de traditie van Cézanne wilde laten schilderen en alles kleineerde wat anders was. Ik ging weg van die academie, zocht een atelier en hield me met allerlei baantjes in leven.''

In de jaren zeventig werkte hij part-time in een psychiatrische inrichting. Hij deed daar `creatieve therapie' in de vorm van tekenen en schilderen met een groep geestelijk gestoorden. Hij wist niets van de psychiatrie, maar werd gedreven door nieuwsgierigheid. In hoeverre dit werk invloed had op zijn kunst, vindt hij moeilijk te zeggen. ,,Mijn belangstelling voor fysionomie en verschijnselen als bijvoorbeeld hysterie heeft er misschien wel mee te maken. Maar van meet af aan was het menselijk gezicht aanleiding tot mijn schilderijen en dan kom je al snel terecht bij de fysionomie.''

De kunst van Gerritsen is altijd figuratief en verhalend geweest, al is het verhaal dat in een schilderij besloten ligt vaak niet precies te traceren. Zo maakte hij na een bezoek aan Sicilië het doek Dubbelportret (1988), waarop hij een wulpse vrouwenkop naast een doodshoofd met nonnensluier schilderde. In een gang onder een klooster bij Palermo had hij gemummificeerde kloosterlingen aan de muur zien hangen. Bij sommigen waren nog plukjes haar of stukjes kleding te zien en dat inspireerde hem tot het gesluierde doodshoofd.

Gerritsen: ,,Ik heb geen vermogen om abstract te denken en daarom heb ik ook nooit abstract werk gemaakt. Als ik een figuur schilder, zijn er criteria waarnaar ik kan beoordelen of die figuur voor mij betekenis heeft of niet. Bij abstracte schilderijen ligt die beoordeling vooral in de esthetiek en dat is voor mij niet genoeg.''

In het begin neigde zijn werk naar de naïeve kunst en het surrealisme. Later, toen zijn schildertrant bedachtzamer werd, de kleuren helderder en de vormen geprononceerder, kwam het in de buurt van de Pop-art en de Nieuwe Figuratie. Maar het was nooit duidelijk bij een stroming in te delen. Vroeger had hij er `de pest in' dat hij altijd overal buiten viel en nooit mee kon doen aan groepstentoonstellingen, nu zegt hij dat het hem eigenlijk wel bevalt. Toen hij begon te schilderen was de expressionistische Cobra-kunst nog toonaangevend, maar daarmee heeft hij nooit affiniteit gevoeld: ,,Ik ben geen wilde schilder. Ik heb een groot wantrouwen tegen mijn eigen expressie, mijn emoties. Ik kan snel tranen in mijn ogen krijgen bij een slechte film. Ik vind dat je bij het maken van kunst een beschouwer moet zijn, afstand moet nemen tot je onderwerp, wil je er iets mee kunnen. Ik ben niet iemand die 's ochtends iets meemaakt en 's middags de kwast pakt om zijn emoties op het doek los te laten. Al werkende heb ik geleerd dat je met een schilderij in overleg moet gaan. Ik was eens bezig met een serie van zeven portretten in dezelfde houding, toon en kleurstelling. Maar één portret wilde zich daar niet naar voegen en uiteindelijk heb ik het weggeschilderd. Dus je kunt nog zulke mooie opvattingen hebben, dertig jaar hebben geschilderd, maar zo'n schilderij zegt: `Gerritsen, je kunt me wat, ik ga niet met je mee.' Als je de dictator speelt tegenover een schilderij, krijg je daar weinig voor terug.''

Picknick

Op bijna al het werk van Gerritsen in de tentoonstelling in het Dordrechts Museum zijn figuren te zien, afzonderlijk of in tableau vivant-achtige groeperingen. Soms heeft hij een mensenhoofd over een voorstelling van bijvoorbeeld een leeg interieur getekend zodat een raadselachtig beeld ontstaat waarin de aanwezigheid van een mens slechts gesuggereerd wordt. Op diverse schilderijen zijn de cliché-beelden die het uitgangspunt waren makkelijk te herkennen, zoals in de serie Reproductie van de soort waarin hij het prille geluk van moeder-met-baby ontluistert. Voor deze serie keek hij naar de nazistische schilderkunst die dit geluk juist verheerlijkte: ,,De beeldtaal van de fascistische schilderkunst en van het socialistisch realisme zaten vol clichés over de schoonheid van het menselijk lichaam, de Körperkultur. Het was een en al bedrog en net als de reclame ontdaan van alle menselijkheid. Ik probeer in die doeken te achterhalen hoe dat bedrog in elkaar zit, waar het in schuilt.''

Bij de grote figuurstukken die hij de laatste jaren maakte is de aanleiding moeilijker te duiden. In het doek Picknick (2001) schilderde hij een aantal mensen, liggend en zittend op een picknick-laken in de natuur. De figuren lijken in zichzelf verzonken en geen enkele relatie te hebben tot elkaar. Ondanks de opgewekte kleuren is de gezelligheid van een picknick ver te zoeken op dit schilderij en lijkt de stemming onbehaaglijk. Een beetje schamper informeert Gerritsen of ik weleens een picknick heb meegemaakt die geanimeerd en leuk was: ,,Dat zijn van die begrippen: laten we lekker gaan picknicken, gezellig bij elkaar komen, op visite gaan. Ik heb me vaak erg ongelukkig gevoeld als er zoiets georganiseerd werd. Ik ken wel het gevoel ergens bij te willen horen, maar op het moment dat dat zo is, valt het meestal tegen en wil je zo snel mogelijk weg.'' Hij aarzelt op mijn vraag of hij zichzelf als een mensenhater ziet en zegt dan: ,,Ik ben geen liefhebber.''

De laatste twintig jaar gaf Gerritsen les aan de Enschedese kunstacademie. Hij doceerde hier `gemengde media', een combinatie van schilder- en beeldhouwkunst, fotografie, installatie, performance en video. Het vak was bedoeld om leerlingen de mogelijkheid te bieden met meer vrijheid gestalte te geven aan hun ideeën. Zelf maakte Gerritsen behalve tekeningen en schilderijen ook beelden en installaties. ,,Maar de schilderkunst blijft voor mij de beste vorm om me uit te drukken. Sinds de jaren zeventig is de schilderkunst dood verklaard. Ik besef dus heel goed dat er andere uitingsmogelijkheden zijn. Toch weet ik zeker dat het schilderen een belangrijk onderdeel zal blijven van de beeldende kunst. Al was het alleen maar omdat het zo prettig is om te doen.''

De expositie in het Dordrechts Museum duurt t/m 25 nov. Verder: Wetering Galerie, Amsterdam, 13 okt. t/m 14 nov. en Expositie Gelderland Grafiekprijs, Zevenaar, t/m 19 okt. H. Janssen: Het ontstellende werk van Ad Gerritsen. Verschijnt volgende maand bij Uitg. Fontein/de Prom.