Altijd een jongen

Hij wist niet welke triomfen en welke lijdenswegen hem te wachten stonden, terwijl hij daar zat aan de keukentafel in zijn ouderlijk huis, even buiten Rijsbergen. Een eenvoudige West-Brabantse jongen keek me aan en liet zich besprenkelen met de geneugten van het eerste interview. Het was 1977 en Johan van der Velde was zojuist tweede geworden in het eindklassement van de Tour de l'Avenir, de Tour de France voor amateurs. Johan luisterde naar de vragen en wist geen antwoord. ,,Als ze zeggen dat ik een belofte ben, dan zal het wel zo zijn', zoiets zei hij – veel meer was het niet.

Hij zou nog lang geen professional worden, had zijn adviseur hem verteld – daar was hij nog te jong en te onvolgroeid voor. Maar nog geen week later liet dezelfde adviseur hem een contract tekenen bij de beste wielerploeg ter wereld, de Raleigh-ploeg van Peter Post. Voordat hij het besefte maakte de Brabantse bleekneus deel uit van de harde wereld van de beroepswielrenners. Winnen, ten koste van alles, was het parool.

Zijn talent voor wielrennen en met name voor bergop rijden, bleek groter dan hij vermoedde. Ik had een zwak voor hem, omdat hij zo eenvoudig bleef, omdat hij `godver' reed als hij `godver' moest rijden en gaf Van der Velde de bijnaam de `Speer van Rijsbergen'. In 1980 reed Joop Zoetemelk aan zijn wiel naar de Alpentop van Prapoutel. Van der Velde danste in een moordend tempo naar boven. Plotseling vergreep hij zich aan het stuur, waardoor hij een slinger maakte. Hij viel, Zoetemelk viel met hem mee, ze krabbelden op en vervolgden hun weg. Dat jaar won Zoetemelk de Tour, Van der Velde leek zijn opvolger in pakweg twee à drie jaar.

Het is er nooit van gekomen. Van der Velde won wedstrijden, was een begenadigd klimmer en een furieuze aanvaller, maar de jongen bleef een jongen. Hij vertrok naar een Italiaanse ploeg. In Italië werd hij aanbeden, hij was een eeuwige kampioen. Hij won bergetappes en werd zowaar een sprinter. Hij glorieerde, je zag hem zichzelf uit het oog verliezen.

Op de besneeuwde weg van de Passo di Gavia, in de Ronde van Italië van 1988, zag ik hem ver voor het peloton uit soleren, eenzaam vechtend tegen de kou. Vechten kon Van der Velde als geen ander. Bevangen door de kou liet hij de overwinning aan een ander, als een held. Een paar jaar later verdween hij zomaar uit de Ronde van Italië, hij was het zat, hij liet ploeg, ploegleider en sponsorbazen in de steek en liftte naar huis. Bezweken onder de druk van de sponsor en de ploegleider, gek van amfetaminen en andere stimulantia, en verward door al die aandacht werd hij een dief.

Uiteindelijk belandde hij in de gevangenis. Zover moest het komen om God of wie dan ook, desnoods zichzelf, tegen te komen. Toeval bestaat niet, had iemand hem onderweg verteld. Deze weg heeft hij moeten gaan, weet hij nu, om Johan van der Velde te worden. Ter afronding van zijn eerste veertig jaar, liet hij een boek over zijn leven en lijden schrijven. Journalist Bart Jungmann toonde zich een bekwaam therapeut en tekende in fraaie, empathische stijl de ervaringen op van een jongen die met zichzelf in de knoop kwam omdat hij toevallig hard kon fietsen.

Een beetje Diego Maradona of een beetje Herman Brood – het zal de Speer van Rijsbergen een zorg zijn. Johan van der Velde, die er eens van uitging dat aandacht en eerbetoon verlichting geven, is teruggekeerd in de realiteit. De roes is uitgewerkt. Hij is allang blij dat hij een hardnekkig liefhebbende vrouw en drie kinderen heeft en weer leeft na een onbeheersbare zoektocht naar avontuur, aandacht en eeuwige liefde.

Bart Jungman: Langs het ravijn. Het veelbewogen wielerleven van Johan van de Velde. L.J. Veen. ƒ34,90