`Achterberg bezorgde mij mijn eerste poëtische ontroeringen'

Vandaag verschijnt `Het verlangen naar een eerste sigaret', de nieuwe dichtbundel van Rutger Kopland. Achterberg is voor hem één van de groten.

Het Groningse platteland ligt er herfstig bij. In het gras heksenkringen van paddestoelen. Rutger Kopland leest, in zijn tot sfeervolle werkkamer verbouwde, oude kippenschuur, een gedicht voor van Gerrit Achterberg, Standbeeld:

Een lichaam, blind van slaap,

staat in mijn armen op.

Ik voel hoe zwaar het gaat.

Dodepop.

Ik ben een eeuwigheid te laat.

Waar is je harteklop?

De dikke nacht houdt ons bijeen

en maakt ons met elkaar compact.

`Om Godswil laat mij niet meer los:

mijn benen zijn geknakt',

fluister je aan mijn borst.

Het is of ik de aarde tors.

En langzaam kruipt het mos

Over ons standbeeld heen.

Kopland: ,,Dit is toch van een grote schoonheid, van een geweldige kracht. Het zijn regels die me diep ontroeren. Dat niet onder woorden te brengen gevoel van zo-is-het bekruipt me nog telkens als ik het lees.'

De eerste poëzie die Kopland van Achterberg las stond achterin een leerboek van de middelbare school. ,,Ik zie die pagina nog voor me. Ik weet nog dat ik die gedichten las en hoe ik erdoor getroffen werd.' Sindsdien koesterde Kopland de vage droom ooit nog eens zelf gedichten te gaan schrijven. Dat idee verwezenlijkte hij na zijn doctoraal medicijnen, op zijn éénentwintigste. ,,Ik had een tamelijk onstuimig studentenleven geleid, wat gestudeerd en bedacht dat ik, als ik zo door ging, veel te vroeg arts werd. Ik wilde in mijn leven ook andere dingen doen. Ik ben toen veel gaan lezen, schreef een toneelstuk en mijn eerste gedichten.'

In 1955 verscheen, in een eerste oplage van 10.000 exemplaren, Voorbij de laatste stad, een bloemlezing uit het oeuvre van Achterberg, samengesteld en ingeleid door Paul Rodenko. In die periode schreef Kopland pastiches voor een studentenblad. ,,Een hele serie gedichten die Achterbergs Ballade van de gasfitter imiteerde.' Maar hij schreef ook eigen poëzie, zoals Portier, dat zo begint: `Ik ben de preambule/ ik ritsel u bescheiden tegemoet/ ik duimel om u heen en schrijf uw hoed// en jas af in de vestibule'.

,,Dat is helemaal Achterberg, hè?', glimlacht Kopland. ,,Nu zie ik hoe doordrenkt mijn eerste gedichten zijn van de achterbergiaanse manier van zeggen, terwijl ik toen dacht dat het mijn eigen poëzie was. Hij heeft altijd een enorme aantrekkingskracht op mij gehad. Hij is voor mij één van de groten van de vorige eeuw, degene die mij mijn eerste poëtische ontroeringen bezorgde.'

Waaruit komt die voort? ,,In Het mechaniek van de ontroering heb ik geprobeerd het onder woorden te brengen. Het heeft ongetwijfeld te maken met mijn calvinistische jeugd. Het ging om de overgang van het dogmatische woord, het Woord dat de werkelijkheid voor eeuwig, buiten ons om, had vastgelegd, naar het levende, zoekende woord, waar we zelf, vrijelijk, iets mee kunnen doen. Onder Achterbergs handen wordt het onsterfelijke, dode woord levend. En dus sterfelijk. Wat mij ook nu nog raakt, in dat gedicht Standbeeld, is de verstrengeling van weerzien en afscheid, van ontstaan en vergaan, van bij elkaar horen en uiteenvallen. Wat ik toen, als jongeman, ontdekte was dat woorden niet alleen maar vertellen wat de werkelijkheid is, maar dat je met woorden iets kon oproepen dat aan die werkelijkheid ontstijgt en er nieuw zicht op geeft. Met taal kun je iets creëren, dat heeft Achterberg mij indringend laten zien. Je kunt de tijd stilzetten, de eeuwigheid oproepen, de tijd voorbij laten gaan.

,,Iets dergelijks vind ik terug bij wat Rodenko schrijft in zijn inleiding op de bundel. Hij schrijft over het woord – niet als weergave van de werkelijkheid, maar als schepping van werkelijkheid. Schrijven is een daad waarmee je de werkelijkheid maakt. Neem een gedicht als Code. Mij schieten de tranen in de ogen als ik dit lees:

`De levenskracht die gij eenmaal bezat/ verdeelt zich nu over het abc./ Ik combineer er sleutelwoorden mee/ En open naar uw dood het zware slot.'

Het eindigt zo:

`De dichter, onder 't schrijven, weegt en wikt,/ Op dood en leven een schermutseling,/ Totdat de deur eindelijk open gaat.'

,,Ik tref er ook iets aan uit mijn eigen beleving, wanneer je zit te puzzelen, te denken, te schrappen en te zoeken. Zo is het inderdaad als je een gedicht maakt en een goede regel vindt.'

Herkenning, bewondering, verwantschap – welk element is het sterkst? Kopland: ,,In eerste instantie was er bewondering, maar ook verwantschap, anders zou het me niet zo diep hebben getroffen. Ik herinner mij dat ik opnieuw ben begonnen met het schrijven van gedichten toen ik mij realiseerde dat wij in de wetenschap (Kopland was als psychiater verbonden aan de Universiteit van Groningen, md) een model van de wereld ontwerpen en dan nagaan of de werkelijkheid zich daar een beetje in wil voegen. De wetenschapper is bij uitstek doordrongen van het feit dat alles wat hij te beweren heeft over de werkelijkheid een voorlopig karakter draagt. Poëzie gaat langer mee, als het goed is. Poëzie streeft niet naar verifieerbare uitspraken, maar wel naar uitspraken waarvan de lezer zegt: ja, zo is het precies.

,,Ook de vorm is bij Achterberg enorm belangrijk, die strengheid van het ritme, strak in het pak, en dan een plotselinge, speelse uitglijer. En zijn humor sprak mij buitengewoon aan. Neem het einde van De melkknecht:

`Het is vandaag weer goed en veel geweest;/ Hij geeft zijn melk als dichteren hun bloed.'

,,Je vraagt je af of je erom moet lachen of er verdrietig om moet worden. Humor en diepe ernst liggen zo dicht bij elkaar. Prachtig.'

Wat heeft u van Achterberg geleerd? ,,Precisie. In de poëzie van Achterberg zit iets afstandelijks, een emotie die genoteerd staat, waarover is nagedacht. Het gaat om precisie in de formulering van die hele complexe meerduidigheid waar je het over hebt. Je moet blijven zoeken naar de juiste afstand tot datgene waarmee je bezig bent. Een houding van écriture automatique of laat-maar-komen is dodelijk. Achterberg was een echte vakman.'

Gerrit Achterberg: Voorbij de laatste stad. Samengesteld en ingeleid door Paul Rodenko. Ooievaar Pocket, ƒ15,75

Gerectificeerd

Rutger Kopland

In de serie `Het beslissende boek van' werd in de aflevering met Rutger Kopland (Boeken, 12.10.2001) een verkeerde titel genoemd. Zijn nieuwe dichtbundel heet `Over het verlangen naar een sigaret', deze week besproken op pagina 5.